Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN PELGRIM OP AARDE

De weelden van een ongebonden leven!

En zoo viert elk zijn eigen lust en zin.

En daar niet één naar mij zal overneigen.

En ik mijn weerzin nóch hun bijzijn zoek,

Zal tusschen ons niets zijn dan ijskoud zwijgen.

En niets dan diepe afgrond, niets dan vloek.

Ik ben de man der wegen en der velden,

De Abraham der stallen van het vee,

'k Heb niets te lasteren, en hun geen nieuws te melden

En voor hun welzijn niets dan ach! en wee!...

Hoe zal het zijn, als zij, in fijne kleeden.

Hun vader in een vacht van schapen zien?

Wanneer de reuk dier dieren van den vrede

Hun neus beslaat en hun cultuur misschien?

Hoe zal het zijn, als ik op bloote voeten

En als een herder in hun midden sta,

Als zij de wellust zijn en ik de boete

En zij mijn weerzin, ik hun ongena?

Hoe zal het zijn, als ieder zich gerieven —

En elk zich kleeden kan met wat hem past?

Als keizers even welkom zijn als dieven.

En als prelaten elke late gast? ...

Het kan niet zijn: ik ken geen aardsche zorgen,

Geen enkel twistgeding nóch advokaat,

Ik ken geen avond en ik ken geen morgen,

Voor mij is niets te vroeg en niets te laat!

Ik heb de dwaasheid van één ding te weten

En dit tot in zijn diepten te verstaan —

Van heel de rest heb 'k zelfs den naam vergeten ...

'k Ben lang niet meer van Plato aangedaan.

Het kan niet zijn! Ik pas niet bij die heeren

Van lijfscultuur en seculier bederf:

Zij zouden kampen en ik zou mij weren

En wat een onrust gaf dat op één erf!...

Sluiten