Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een willekeurigen drang naar vernieuwing of door een ongezonde nivelleeringszucht aan de gemeenschap wordt ontnomen.

Voer nu dit alles op tot een hoogeren graad van volmaaktheid dan 't in de vaderlandsliefde zonder meer kan bereiken — en ge hebt het nationalisme.

De nationalist is zich in hooge mate bewust van hetgeen hij voor de bereiking van zijn eigen volkomen levensgenoegzaamheid en levensgeluk aan de nationale gemeenschap schuldig is. En ter vergelding van dat debitum, waarvan de H. Thomas spreekt (S. Theol., 11-11, 101, 1.), wil hij uit alle kracht en met achterstelling van eigen belang ertoe meewerken om zijn volk groot te maken, welvarend, vruchtbaar en rijk in 't stoffelijke en in 't geestelijke, groot in datgene, waarin ieder volk groot kan zijn. Hij is fier op het lidmaatschap van zijn volk, zooals St. Paulus met fierheid zijn Romeinsch burgerschap beleed, en hij wil 't in de groote gemeenschap der volkeren de plaats doen innemen, die 't naar den graad zijner cultuur en zijner geschiktheid tot medewerking aan de hoogere doeleinden toekomt.

In het willen van het waarachtig-goede kan niets slechts zijn gelegen ; wat in de natuurlijke orde waarlijk goed is, behoort mede tot hetgeen de katholieke zedenleer toelaat en aanbeveelt; wat de natuurlijke rede als plicht voorschrijft, wordt ook door de Kerk aan haar onderdanen als zoodanig opgelegd.

Vandaar, dat de Kerk de deugd der vaderlandsliefde steeds heeft voorgeschreven en verdedigd. De plichten tegenover volk en vaderland behooren tot den codex van natuurlijke moraal, die taliter qualiter in dien van het

Sluiten