Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere nijpende zorgen gekwelden opperbevelhebber te leggen.

Anders staat het met het ontslag van twee legercommandanten: Ruffey en Lanrezac. De eerste zou door Joffre „gelimogeerd" 1 zijn, omdat hij de vitale beteekenis der zware artillerie geproclameerd had, de tweede, omdat hij een beter inzicht in de Duitsche plannen had getoond 2. Dat zijn ernstige beschuldigingen. Joffre was zeer zeker gehecht aan zijn hooge positie en voelde er niets voor, om zijn gezag ook maar voor een klein gedeelte uit handen te geven: dat bewijst o.a. zijn weigering om Gallieni een plaats in te ruimen in zijn G.Q.G., hoewel deze toch, vóór zijn benoeming tot militair gouverneur van Parijs, was aangewezen als zijn „adjoint, a titre de successeur éventuel"3; Joffre wenschte geen „kroonprins" in zijn onmiddellijke omgeving. Men kan hieruit concludeeren, dat Joffre de karaktereigenschappen van den echten leider had; maar dit geeft nog niet het recht te veronderstellen, dat hij bekwame generaals uit vrees voor „concurrentie" en tot groot nadeel van het nationaal belang op non-actief stelde. Leest men in zijn Mémoires de motiveering van Ruffey's en Lanrezacs ontslag, let men vooral op de langdurige aarzeling en tweestrijd, die aan het ontslaan van den laatste voorafgingen, dan kan men moeilijk gelooven in een kwade trouw, welke in dergelijke omstandigheden natuurlijk altijd verondersteld wordt.

Ruffey, zegt Joffre, was zeer intelligent, maar „inconstant et imaginatif a 1'excès"; het bleek weldra, dat op zijn oordeel geen staat meer viel te maken 4. Een der officieren van zijn staf heeft hem op dezelfde wijze geschilderd 5. Op 30

1 Cf. Général de Division Regnault, Les Officiers Généraux limogés (Paris 1919) p. 19: „Quant a ceux qui sont relevés par mesure disciplinaire, on leur notifiera de se retirer dans la 12e région: Limoges." Vandaar de term „limogeeren".

2 Liddell Hart p. 29.

3 Messimy p. 247-248.

4 Mémoires I p. 344, 350.

5 Général A. Tanant, La Troisième Armee dans la Bataille (Paris 1922) p. 22: „Mon chef, le général Ruffey, est un homme trés intelligent, mais c'est un imaginatif. II est bien tel que me 1'a dépeint un jour un de nos grands chefs, qui, lorsque j'ai pris mes fonctions, m'a dit:

15

Sluiten