Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rt. 224 Ridsaert seide: „Broeder Renout," // Ic weet noch harde goet onthout." Yb. 59.18 Doe seide Ridtsaert: „Ic weet ons onthout." — Rt. 234 Ridsaert sprac: „degen vrome," // Wi sullen hem sijn willecome, // Ende wi sullen hebben goet onthout." Vb. 59.20 Doe seide Wridsaert: ,,Ist also, so sullen wij hem wesen welecoem ende ons gaern onthouden."

Ook het niet-voorop-staan van den vocatief in Et. kan weglating in Vb. ten gevolge gehad hebben:

Rt. 811 Doe antworde die grave Ogier: // „Inne ontsie u niet, Goutier". Vb. 146.29 Doen seide die stoute Ogier: „Ic en ontsie u dreygen niet".

3°. In de correspondeerende gevallen blijkt de vocatief bij voorkeur voorop in het zinsverband te staan1). Deze voorkeur is vooral in Yb. zeer groot, n.1. in 27 van de 33 gevallen, in Et. vinden we den vocatief 23 maal voorop. 20 maal hebben beide teksten den vocatief voorop, in Et. 7 maal gevolgd door een onderbreking als „seitsoe" (e. d.). In Yb. komt een dergelijke onderbreking nooit voor. Voorbeeld:

Rt. 692 „Vrient", sprac Huge dAvemaes: // „Nemmeer sprec als .i. dwaes! — Yb. 63.11 doe seyde heer Huge: „Vrient, en spreket niet meer als een dwaes."

Tweemaal staat in Et. zoo'n onderbrekende toegevoegde zin tusschen twee varieerende vocatieven. Voorbeeld:

Rt. 967 „Adelaert," seitsoe, „sone min, // Desen lachter, dar wi in sijn, // Dese scande ende dit seer // Ne verwinnen wi nembermeer". Vb. 148.26 „Adelaert mijn lieve kint, dese scande • en de laster daer wij nu in zijn en mogen wij nemmermeer verwinnen". —

Et. bevat 7 zinnen met den vocatief midden in de oratio recta of aan het einde, terwijl Vb. vooropplaatsing kiest, dus den kunstigen epischen vorm van de onderbreking laat varen. Bijv.:

Rt. 800 „Wildi noch lien, here Ogier, // Van der verranesse. Vb. 146.25 Ogier, wildi noch liden die verradenis — Rt. 162 „Ic wilt u seggen, vrouwe gravinne. Vb. 25.27 Wairde vrou, ic mach wel seggen, enz.

Driemaal hebben beide teksten een vocatief tusschen de oratio recta of aan het einde; ook verder vinden we nog in Vb. — in tegenstelling met de blijkbare neiging om den vocatief zoo

1) In de gevallen, waarin alléén Rt. een vocatief bevat, staat op één uitzondering na deze vocatief voorop; evenzoo in die gevallen in Vb.

Sluiten