Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samengetrokken zinnen; hier constateerde ik slechts één geval, correspondeerend met: Et. 226 „Waer eist?" seide die rudder coene. // „Tote Yewe van Dor doene. Vb. 59.18 Reinout vragede: „Waer ist?" „Totten coninc Yewyn want enz.1).

De overige voorbeelden in Et. zijn:

Rt. 161, Waerbi," seitsoe, „soete minne? Yb. 25.26 Doe antwoirde vrou Aye: „Waer om segdi dat, vereoren man?" — Et. 191 Soudise doden?" sprac die vrouwe. // „Nenic", seiti, „bi mire trouwe! Vb. 26.1 sou dise doden?" Doe sprac Aymijn: „Waerde vrouwe, ic seg u certeyn, hadde ic kinder ic soudise enz. — Rt. 250. Welc essoe?" seide Renout. // „Neven der rootsen an dat wout, // Gene hoge castel, die ginder staet," — In Yb. ontbreekt bier een correspondeerende plaats. — Rt. 835 „Hebbic ghedaen," sprac de beelt coene, // „Al dat ic sculdech bem te doene?" // „Ja gi," sprac die hertoge Sampsoen, / „Sit op, God geve u pardoen!" Vb. 147.4 Als dat ghedaen was vraechde Ogier of hi voldaen bad. Doe seide de bertoge Sampson: „Sit op u paert, dat u God ere!" — Rt. 861 „Eer Renoude sorcors quam // Haddi den riddre lofsam // Willen belpen? hi hads te doene". // „Nenic," sprac die riddre coene, — In Vb. ontbreekt een corresp. plaats.

In het eerste voorbeeld bevat Vb. een volledigen vragenden zin, wat de levendigheid van den dialoog verzwakt. Dit geldt ook voor de andere voorbeelden, waar de onvolledige zin in Vb. ontbreekt. Daarentegen is opvallend in Vb. 147.4 het weglaten van „Ja gi", waardoor de zin: „Sit op u paert, dat u God ere" door contractie een diepere beteekenis krijgt dan de correspondeerende zin in Et.

Behalve de genoemde zinnen bevat Et. nog een aantal losse zinnen zonder Vf., epische formules, die in Vb. uiteraard ontbreken, b.v.: sem mijn leven, bi sente Jan.

Afgescheiden zinnen zonder Verbum finitum.

27. Participiale constructies, zoowel verbindingen met een participium praesentis als met een participium perfecti komen in Vb. verschillende malen als afgescheiden zinnen voor; in Et. ontbreken ze bijna geheel, hun functie wordt door analytische

*) Ook in P. komt een onvolledige „antwoordzin" voor, die in Vb. eveneens beknopt wordt weergegeven: P. 1 „Wie deit?" sprac bi in corter stont. //„Here, Aymijns sone, Reinoud." — Vb. 35.13 Hi vraechde wiet gedaen hadde; si antwoirden: „Aymijns sone Reynout".

Sluiten