Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43. Bij de zinnen met inversie is de voorafgaande zin op enkele uitzonderingen na een temporale of conditionale bijzin. We vinden in Et. 10 zinnen met een temporalen bijzin, waarvan in drie gevallen de bijzin door „doe" hervat wordt, in Yb. 43 van deze zinnen, tweemaal hervat door „so". Het groote aantal temporale bijzinnen typeert den Volksboekstijl; het zijn verklarende uitbreidingen van den aanloop „doe" in Et. Hoofdzinnen voorafgegaan door een conditionalen bijzin komen in Et. 10 maal voor, waarvan 8 met een hervattend ,,so", in Yb. 8 maal en op één uitzondering na met den hervattenden aanloop „so". Na de conditionale zinnen vinden we dus bij voorkeur een hervattenden aanloop, na de temporale bijzinnen slechts zelden. Soms wordt slechts één zinsdeel van den voorafgaanden bijzin hervat:

Rt. 456 Si dat sake dat gijs oec niet // Ne doet, u es evele gesciet: 490 Quamedi in Poelien of in Toscanen, // Of in Calabren, u stonde tontfane // Groten lachter, dat weit wel, — correspondeerend met: Vb. 62.35 Quaemdi in Poelgen of Calaberen, Ceciiien Griecken of Hongerien, in Engelant of Francrijc, u stonde te lijden swaer verdriet. Rt. 500 Of comedi in Vrancrike ,// U haten die hogeste van den rike:

Ben objectszin wordt gevolgd door een hoofdzin met inversie, ingeleid door een hervattend pronominaal object in: Et. 177 Wien ic van den sinen mochte begaen, // Dien soudic wel gaerne slaen. — Het object van den bijzin is tevens object van den hoofdzin. Ben concessieve bijzin wordt hervat door „nochtanne" in: Et. 100 Al waert dat hi verdeelt ware, // Nochtanne soudire spreken jegen." — In Vb. vinden we behalve temporale en conditionale bijzinnen, gevolgd door een hoofdzin met inversie, éénmaal een absolute constructie met temporale functie: 59.30 Dat gedaen wesende, leiden si haer hoefden in haer scilden ende

sliepen een weinich. —

Scheiding van S. en Vf. door een pronomen (éénmaal door „te + infinitief") komt in de directe rede alleen voor na een voorafgaanden conditionalen bijzin, in beide teksten 3 maal; in de indirecte rede alleen na een temporalen bijzin en uitsluitend in Vb. (3 maal):

Rt. 490 Quamedi in Poelien of in Toscanen // Of in Calaberen, u stonde tontjane // Groten lachter, dat weit wel, — corresp. met Vb. 62.35 quaemdi .... u stonde te lijden swaer verdriet — Rt. 800 „Wildi

Sluiten