Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Yb. 65.15 Heer coninc, danc Jiebt. — Twee zinnen met den conjunctief in Et. worden in Yb. omschreven door adhortatieve constructies:

Et. 237 „So vare wi daer," geide Renout. Yb. 59.22 Doe seide Reynout: „Laet ons daer varen." — Rt. 257 ,,Wi rusten ons bat, wi sijn moede." Vb. 59.28 „Laet ons rusten want wi sijn moede."

Tenslotte wordt één vragende zin in Yb. vervangen door een gebiedenden zin (Et. 440 — Vb. 62.13) l)

De korte, direct sprekende vorm in Et. is een der kenmerken van den dramatisch en dialoog van het primitieve epos. Deze korte gebiedende zinnen worden in Vb. veelal bijna letterlijk overgenomen. Maar een enkele maal, als de auteur van het Volksboek een dergelijk „gebod" blijkbaar niet op zijn plaats acht, vinden we een langeren, eerbiediger vorm van aansporing, langer zoowel door een inleidende formule als door een omschreven vorm 2). Namelijk, als „vrou Aye" den toornigen Aymijn toespreekt:

Rt. 121 Soe seide: „spreict, grave here, // Ende andwort dor uwes selves ere // Minen neven enten uwen mede: // Het sijn de beste van kerstinede." — Vb. 25.6 Do seide vrou Aye tot Aymyn: „Edel here, ic bid u vriendelic: wilt doch desen heren antwoerde geven want het sijn u selfs magen ende de beste van Kerstenrijo."

Rt. 152 Ende seide: „Spreict, grave, lieve minne!" — Vb. 25.20 „Edel here, ic bid u vriendelic, geeft dese heren antwoirde."

Evenmin vinden we een letterlijke overneming van den gebiedenden zin in het volgende voorbeeld, waarin bovendien de abrupte opeenvolging van twee gebiedende zinnen in Vb. is vermeden door een geheel afwijkende zinsconstructie:

Rt. 817 Laet u dregen, doet dat gi moget, // So doedi u ere ende u doget." — Vb. 146.30 „God scende u," seide Ogier „gi en doet dat ghi sculdich sijt van doen ende laet u roemen staen."

Tenslotte moet nog genoemd worden een zinsverband in Et. met een merkwaardige woordschikking tengevolge van een constructie ano xoivov, die in Vb. niet meer voorkomt. Et.

1) Zie boven: De Vragende Zin.

2) vgl. Mod. Ned. Grammatica, § 292.

Sluiten