Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinnen. Hierbij is er slechts één, waar ook in Et. een gecoördineerd zinsverband voorkomt, n.1.:

Rt. 903 Aldus gereden si hare vaert // Ende voeren te Gasscoingen waert. // Ende alsi quamen int lant, // Stichten si bede roef ende brant.

yb. 147.20 Het dusdanigen opset ende overdracht reden die ghe-

noten nae Gascoengen. Ende als si in Gascoengen quamen enz.

In vijf gevallen heeft Et. niet alleen coördinatie door „ende", maar ook samentrekking van zinsdeelen. Tenslotte blijven dns nog over in Yb. 29 gevallen. Al deze zinnen correspondeeren volledig of nagenoeg met Et., wat betreft den inhoud.

Maar in Et. vinden we in geen enkel geval de coördinatie uitgedrukt door het voegwoord „ende". De oude epische techniek is soberder met dit voegwoord, ook omdat „ende" hier nog sterker additief is, dus niet willekeurig toegevoegd kan worden. Yb. heeft den soberen epischen trant gewijzigd in den vloeienden volksboekstijl:

Rt. 472 U vaendrager es Adelaert, // .1. goet ridder es Ridsaert, Vb. 62.28 U vaendrager is Adelaert ende Ridsaert is een vroem ridder. Rt 309 ,Gi sijt mi harde willecome // Hier ter herbergen mijn: // Ic geve u broot ende wijn." — Vb. 61.3 „Gi heren, gi sijt mi welcoem ende ic sal u herberghe geven ende dairtoe broot ende wijn."

Tien temporale bijzinnen (een typeerend onderschikkend zinsverband in Vb.*)) beginnend met „als" en verzwaard door „ende" zijn verklarende uitbreidingen van „doe" (so enz.) in Et. Voorbeelden:

Rt. 843 Groeten si omodelike // Den coninc van Vrankrike. // Doe sprac Kaerl harde saen: — Vb. 147.7 ende als die coninc die heren sach, vraechde hi enz.

Rt 581 Doe ginc die grave welgedaen // Ende sine broedre tien stonden II Daer si den coninc Yewe vonden. // Doe sprac Renout, .i. helt vri _ Yb. 64.1 ende als si bi den coninc quamen, grueten si hem ende als si hem gegruet hadden seide Reinout.

Et. bevat 27 gecoördineerde zinnen door „ende" verbonden. In 9 gevallen is Vb. bekort en ontbreekt daar de gecoördineerde zin; in 7 gevallen vinden we in Vb. een afwijking, wat den

i) Zie §§ 3, 60.

Sluiten