Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merk te mogen gebruiken ter onderscheiding van iemands fabrieks- of handelswaren van die van anderen bestond ten onzent niet, omdat het nergens uitdrukkelijk was toegekend. En de wet Germinal berustte juist op een bestaand merkrecht. Zoodoende had de merkenbescherming van de wet Germinal in Nederland een geheel fictieven grondslag. Geen wonder, dat dus op dit gebied feitelijk de grootst mogelijke rechteloosheid heerschte en dat van verschillende kanten werd gewezen op de dringende noodzakelijkheid dezen toestand te wijzigen.

Het misbruik maken van het teeken, dat iemand aanbracht op zijn waren als aanduiding, dat deze door hem of door zijn onderneming vervaardigd of verhandeld werden — misschien is het beter te spreken van het gebruik maken van eens anders teeken, omdat er immers eigenlijk geen merk recht was — werd langzamerhand gevoeld als een in het handelsverkeer niet te dulden handeling van oneerlijke concurrentie, waartegen het geldende recht ten eenenmale onvoldoende bescherming verleende. Verschillende Kamers van Koophandel ondersteunden dezen wensch naar verbetering en drongen bij den wetgever op een wetsontwerp aan, waarin dit waardevolle handelsbelang behoorlijk

zou worden behartigd.

Het merk- £oo kwam de wet van 25 Mei 1880 tot stand, die uit-

wetten van' drukkelijk het merkrecht in het leven riep.

1880 en Het was de handel zelf, die tot deze wet den stoot had ,893- gegeven en de Merkenwet van 1880, inmiddels vervangen

door de wet van 1893, beoogde dan ook in de eerste plaats den handel te beschermen, door aan de oneerlijke concurrentie, waaraan het practisch rechtelooze merk vrij baan gaf, op dit gebied den pas af te snijden1). Indirect werd tevens het publiek tegen misleiding beschermd2).

Het merk- Het merkrecht behoort tot de rechten, die men onder den recht als industrieelen eigendom rangschikt, d.w.z. de rechten, wel-

1) Vgl. omtrent strekking Merkenwet Rb. Rotterdam, 18 October 1928, N. I. IQ2Q, blz. 514; Hof Amsterdam, 26 October 1928, W. 11940.

a) Later is deze zijde van de merkenbescherming meer naar voren gekomen: de inlassching van art. 3bis in 1904 (blz. 12) had als motief, dat misleiding van het publiek voorkomen moest worden. Vgl. Rb. s-Gravenhage, 23 februari 1927, I. E. 1927, blz. 115: De inschrijving dient behalve tot wering van oneerlijke concurrentie tevens tot bescherming van het publiek tegen misleiding.

Sluiten