Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de Kamer, werd van een verzuim in dit opzicht gesproken. Volgens den Minister was er echter, behalve het vermoeden van eerste gebruik, nog een ander rechtsgevolg aan de inschrijving verbonden, t.w.: dat het recht op een ingeschreven merk na zes, resp. negen maanden — termijnen, waarbinnen ingevolge art. 10 bij verzoekschrift nietigverklaring der inschrijving kon worden gevraagd —onomstootelijk vaststond. De declaratieve inschrijving, die dus slechts behoefde te constateeren, werd, in de opvatting van den Minister, na verloop van de genoemde termijnen rechtscheppend, zoodat de inschrijver — onverschillig of hij al dan niet inderdaad eerste gebruiker was —, dan zelfs tegenover den eigenlijk rechthebbende, d.i. dengene, die het merk daadwerkelijk het eerste gebruikt had, een recht tot uitsluitend gebruik had verworven; de termijnen van art. 10 waren volgens den Minister fataal ten aanzien van het recht van verzet. Volgens anderen behoorden deze termijnen alléén fataal te zijn ten aanzien van het speciale, in art. 10 genoemde middel van verzet; de gewone rechtsmiddelen moesten onaangetast blijven).

Ondanks de tegen 's Ministers opvatting geuite protesten en ondanks het feit, dat deze als onjuist gequalificeerde grondslag der wet het ontwerp volgens sommigen x) onaanvaardbaar maakte, is dit — tenminste wat dit punt betreft toch ongewijzigd tot wet geworden.

Bij de interpretatie van den Minister had men dus na de totstandkoming der Merkenwet in 1893 de toestand, dat een zoo zuiver als nergens elders doorgevoerd declaratief stelsel, na verloop van 6 resp. 9 maanden na de inschrijving overging in het meest starre constitutieve stelsel ter wereld2). Niet ten onrechte zegt Hijman, dat de uitwerking van het declaratieve stelsel, in 1893 als grondslag der merkenbescherming aanvaard, op gemis aan inzicht in de juiste beteekenis van dit stelsel wees.

Wetswijzi- Aan den ingevolge de interpretatie van den Minister ge-

ging 1904. schapen ongewenschten en onlogischen toestand is een einde gemaakt door de wijzigingswet van 1904, die aan art. 10 een nieuw lid toevoegde, waarin werd vastgelegd,

x) Van den Bergh, W. 6375. ,.

2) Hijman, t.a.pl., blz. 486; vgl. ook v. d. Bergh R.M.^ 1897, blz. 70 vlg. ( Het Rechtsgevolg der Inschrijving van Fabrieksmerken").

Sluiten