Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Immers logisch past in dit systeem slechts een onderzoek ten aanzien van het formeele gedeelte van het in te schrijven merk. De lijdelijkheid van den Griffier bij de inschrijving, die niet paste in het constitutieve stelsel van den wet van 1880 en waarvan men de bezwaren had ingezien, werd echter in 1893 vervangen door actieve inmenging en een vrij uitgebreide bevoegdheid tot weigering der inschrijving van het Merkenbureau, hoewel die lijdelijkheid wèl gepast zou hebben bij het declaratieve stelsel van de wet van 1893. Theoretisch is deze zwenking dan ook moeilijk te verdedigen.

*se- Maar er zijn utiliteitsredenen, die zwaarder wegen dan

de theorie.

1 het Zonder b.v. de weigeringsbevoegdheid van het Merken-

^au*" bureau, bedoeld in art. 9 j° art. 4 lid 3, zou het Merkenbureau weliswaar wellicht inschrijving kunnen weigeren van een merk, dat klaarblijkelijk in strijd was met de openbare orde of de goede zeden op grond van het gemeenerecht, doch van deceptieve merken (vgl. blz. 86 noot 2) zeer zeker niet en evenmin van merken, die het wapen van het Rijk of een provincie enz. bevatten. Toch zou het af te keuren zijn, wanneer — hoe weinig belangrijk de gevolgen der inschrijving ook zijn — een officieele erkenning werd gegeven aan merken, die een — voor het Merkenbureau althans zeer gemakkelijk waarneembare — misleiding van het publiek (b.v. het Engelsche merk „Big Ben" voor in Nederland vervaardigde regenjassen, dat den schijn wekt, alsof de regenjassen uit Engeland afkomstig zijn) in zich sluiten. Dit geldt ook voor merken, die b.v. het Rijkswapen bevatten, omdat hierin — gewoonlijk ten onrechte — een overheidsbemoeiing en dus een overheidszorg zal worden gezien.

Practisch te verdedigen is ook de eveneens in art. 9 genoemde weigeringsbevoegdheid van het Merkenbureau ten aanzien van merken, die geheel of in hoofdzaak overeenstemmen met een merk, dat voor dezelfde soort van waren reeds ten name van een ander is ingeschreven of door een ander vroeger is ingezonden1). Voor beide partijen is dit van belang.

*) Vgl. over de vraag of 2 merken al dan niet moeten worden geacht geheel of in hoofdzaak overeen te stemmen I.E.b. 15 Augustus 1933, blz. 82 „De zin van het Merk"; de rechter mag op bijzondere omstandigheden letten H.R. 11 Juli 1933 I.E.b. 1933, blz. 102.

Sluiten