Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

:s tot De Merkenwet kent in de artt. 9 en 10 twee bijzon[having (-iere rechtsmiddelen toe aan den rechthebbende op een k- merk of dengene, die beweert rechthebbende te zijn. '• In de eerste plaats kan degene, die recht op een merk

meent te hebben, welks inschrijving z.i. ten onrechte door het Merkenbureau is geweigerd, zich met een door hem of zijn gemachtigde onderteekend verzoekschrift wenden tot de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage, opdat de inschrijving wordt bevolen (art. 9). Daarnaast geeft art. 10 dengene, die krachtens art. 3 recht op een merk heeft, het recht om op dezelfde wijze, binnen bepaalde termijnen, nietigverklaring te verzoeken van de inschrijving van een merk, dat geheel of in hoofdzaak met het zijne overeenstemt en dat dient ter onderscheiding van dezelfde soort van waren. De bepaling, dat in deze gevallen een requestprocedure kan plaats hebben, is door de zooveel eenvoudiger, minder formeele en vlugger gang van zaken voor den belanghebbende natuurlijk een waardevolle tegemoetkoming. De behandeling geschiedt in Raadkamer (art. 12) en is dus ook voor den rechter veel eenvoudiger 1). Om een zekere uniformiteit in de uitspraken te waarborgen, is voorts de Haagsche Rechtbank uitsluitend competent verklaard voor de kennisneming van deze zaken (vgl. hierover blz. 11). Van haar uitspraken staat hooger beroep open bij het Haagsche Hof (art. I2bis; eveneens op door den verzoeker of diens gemachtigde onderteekend request), terwijl ook c.q. cassatie mogelijk is (het verzoekschrift moet in cassatie echter onderteekend zijn dooreen advocaat, H. R., 4 April 1899, W. 7264).

Ook na het verstrijken der in art. 10 lid 1 bedoelde termijnen kan nietigverklaring op dezelfde wijze geschieden, mits het verzoek daartoe gebaseerd is op een rechterlijk gewijsde 2).

J) Zie b.v. H.R. 21 September 1931 N.J. 1931, blz. 1459: art. 162 Gw. en 20 R.O. gelden niet voor beschikkingen op verzoekschriften; H.R. 18 December 1930 N.J. 1931, blz. 661: de Merkenwet laat den rechter in de requestprocedure in de keuze zijner bewijsmiddelen volkomen vrij; zie ook H.R. 15 Juni 1931 N.J. 1931, blz. 1242: voorschriften betreffende de regeling enz. van het bewijs en de motiveering van de uitspraak gelden alleen voor vonnissen en niet voor beschikkingen op verzoekschrift; zie voor oudere jurisprudentie ook Drucker t.a.pl., blz. 91.

!) Zie over de vraag of een beschikking op een verzoek als bedoeld in art. 1 o lid 1 Mw. als zoodanig dienst kan doen: H.R. 16 Juni 1911 W. 9245: de beschikking op grond van art. 10 lid 1 is geen rechterlijk gewijsde als bedoeld in art. 10 lid 2 (zuiver historische interpretatie); zoo ook Meyers W.P.N.R. 2405,

Sluiten