Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel worden ook in Engeland onder „any association or person" publiekrechtelijke lichamen begrepen1), maar uit den tekst der bepaling volgt dit niet zonder meer en juist in verband met het feit, dat zoowel op de Haagsche als op de Londensche Conferentie 2) nog eens met nadruk is vastgesteld, dat publiekrechtelijke lichamen met de in art. 7bis lid 1 bedoelde collectiviteiten moesten worden gelijkgesteld, is het op zijn minst genomen wenschelijk, dat de nationale wet dienaangaande geen twijfel laat.

Ook wat betreft het daadwerkelijk gebruik van een collectief merk is de Engelsche bepaling het beste, omdat — het klinkt paradoxaal — hieromtrent niets gezegd wordt, dus geen enkele beperking wordt opgelegd.

In Duitschland is uitdrukkelijk voorgeschreven, dat het collectieve merk alleen gebruikt mag worden in de „Geschaftsbetrieben ihrer (d.w.z. der Rechtsverbande) Mitglieder", in het Belgische wetsontwerp wordt aan de beroepsvereeniging verboden aan anderen dan de bij haar aangesloten „voortbrengers en handelaars" het gebruiksrecht van het merk toe te staan, terwijl volgens het Fransche ontwerp het merk ofwel door de collectiviteit zelf ofwel door haar leden moet worden gebruikt. Alleszins verklaarbaar zijn deze beperkingen ongetwijfeld, omdat in de drie genoemde regelingen uitsluitend collectiviteiten rechthebbende kunnen zijn; maar in een regeling, die ook rechthebbenden kent, die geen collectiviteit zijn, kan het gebruiksrecht van het collectieve merk natuurlijk niet voor ieder, die buiten de collectiviteit staat, uitgesloten zijn. Voorwaar- Daar de collectieve herkomstmerken, die speciaal in den den voor tegenwoordigen tijd zulk een belangrijke functie vervullen üiHg en' bij de bevordering van de belangen van nationale handel Overheids- en industrie, practisch geheel waardeloos zouden zijn, wancontröie. neer zjj geen absoluten waarborg voor die herkomst inhielden, terwijl daarnaast de collectieve qualiteitsmerken den betrokken tak van handel, industrie of landbouw eerder zouden schaden dan bevoordeelen, wanneer op de productie van de artikelen, waarop het qualiteitsmerk werd aangebracht, geen toezicht bestond, is het niet alleen verklaarbaar, maar zelfs noodzakelijk, dat van overheidswege van den rechthebbende een strenge controle op het gebruik

*) Pr. Ind. Februari 1934, blz. 37. *) Vgl. blz. 120 en 122.

Sluiten