Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1772 werd dit verbod van verkoop uitgebreid tot die slavinnen zelf *). In 1782 werd nog bepaald dat „slavinnen, by welke hare Christen lyfheeren kinderen hadden verwekt, na het overlyden dier lyfheeren •— onverschillig of die kinderen ai dan niet nog in Leven waren —• geëmancipeerd moesten worden, alware de boedel insolvent" 2). Dit was dus de uitdrukking van den regel: De moeder van Christenkinderen is een vrije vrouw.

Op 6 Januari 1797 volgde een „publicatie wegens de exemtie van verkoop van slavinnen en insolvente boedels van onchristenen", wanneer zij kinderen bij hunne lijfheeren hadden, die nog in Leven waren 3). De slavinnen van Christenen stonden dus in een gunstiger positie dan die van on-Christenen.

Een andere bepaling, waarin het verschil in sociale waardeering naar godsdienst tot uiting komt, is die van 14 Augustus 1781, waarbij werd bepaald dat „slaven, door Christenen geëmancipeerd, te Batavia sorteerden onder de kompagnie Papangers, maar slaven, door onchristenen geëmancipeerd, onder de kompagniën van de kampongs hunner natiën" zouden staan 4).

Erkenning van zakeLijke redenen voor de onderscheiding naar Landaard.

Een resolutie van 19 October 1666, handelend over Mohammedaansch successie- en erfrecht, bepaalde dat Christenkinderen van Moorsche ouders „gelijk regt" zouden hebben in de „Ervenisse en Successie harer ouderen" 5). Het plakaat van 12 Mei 1786 gaf hieraan nog de uitbreiding, dat niet alleen kinderen, maar in het algemeen alle tot het Christendom overgegane personen, hun erfrecht in on-Christen boedels behielden en zelfs

nen wilde bevoorrechten, gold dit plakaat blijkbaar niet voor de kinderen van Christen-Inlanders, bij hun slavinnen verwektl x) Realia III, pag. 71 en Plakaatboek VIII, pag. 734.

2) Plakaat van 8 Oct. 1782, Plakaatboek X, pag. 625, oorspr. niet gecursiveerd.

3) Realia III, pag. 74.

4) Plakaatboek X, pag. 521.

5) Realia I, pag. 65. Onder „Mooren" moet hier worden verstaan „Mohammedanen", vgl. Realia II, pag. 241.

Sluiten