Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III

POGINGEN TOT INDEELING DER BEVOLKING DIE LEIDDEN TOT DEN TEKST VAN ARTIKEL 109 R.R. VAN 1854

a. De toestand vóór 1848.

Bij hun komst op Java in 1816 vonden CommissarissenGeneraal een bevolkingsindeeling, zooals geschetst in het voorgaande hoofdstuk.

In het „Reglement op het beleid van de Regering, het Justitiewezen, de Cultuur en den Handel in 's Lands Aziatische Bezittingen van 1815 1), dat evenwel nimmer in werking is getreden, komt geen artikel voor betreffende de bevolkingsindeeling.

Het door Commissarissen-Generaal in 1818 afgekondigde Regeerings-Reglement (dat nimmer de vereischte Koninklijke goedkeuring heeft verkregen), spreekt in artikel 96 alleen van „Chinezen, Mooren, Arabieren, en andere vreemden, niet tot de Europeërs behoorende", die „onder hoofden van hunne natiën gesteld" waren 2). Dit waren dus, wat wij nu Vreemde Oosterlingen zouden noemen. Door de Arabieren afzonderlijk te vermelden verklaarde men hen niet tot de Mooren te rekenen. Artikel 102 spreekt de wenschelijkheid uit van de instelling van een burgerlijken stand voor de „Europesche of van Europeërs afkomstige inwoners". Over de Inlandsche bevolking werd niet gesproken, evenmin over de Christen-Inlanders. Men vond het blijkbaar alleen noodig de Europeanen en de „niet tot de Europeërs behoorende vreemden" te vermelden 3). Zoo werd ook in

!) Zie: De zes Regerings-Reglementen van N.I., pag. 4.

2) S. 1818: 87.

8) Vgl. Mr. Prins, pag. 658.

Sluiten