Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijnde Inlanders, of van Inlandsche afkomst", er aan onderworpen waren. Eerst in 1835 volgde, ten aanzien van de „Christenen zijnde Inlanders of van Inlandsche afkomst, woonachtig op Amboina, Menado, Timor of andere eilanden buiten Java", de bepaling dat zij zich niet aan de voorschriften van genoemd Reglement behoefden te onderwerpen, terwijl in 1840 ook de Christenen van Dèpok en Toegoe werden ontheven van de verplichtingen, bij het Reglement op den Burgerlijken Stand gesteld *). Desgewenscht konden zij zich aan dit Reglement onderwerpen. Aan de bepalingen van dit Reglement waren dus in 1840 onderworpen „alle Christenen", die niet waren de Inlandsche Christenen van Dèpok en Toegoe en de „Christenen, zijnde Inlanders of van Inlandsche afkomst" buiten Java, zoodat dus overbleven de Europeanen en hun afstammelingen, de weinige Inlandsche Christenen op Java buiten de reedsgenoemde en de „niet tot de Europeërs behoorende vreemden", die het Christendom beleden, waardoor het Reglement grootendeels haar doel miste, omdat zij voor „alle Christenen" had moeten gelden.

Behalve in dit Reglement komt het oude onderscheid tusschen Christenen en Onchristenen nog voor in het Reglement voor het College van Boedelmeesteren te Batavia 2) en in een Besluit betreffende „acceptatiën of onderhandsche schuldbekentenissen, spruitende uit wezenlijke handelstransactiën van Christenen met Onchristenen" 3).

Werden de Inlandsche Christenen dus volgens het Reglement op den Burgerlijken Stand als Europeanen beschouwd, in 1824 was bij de bestuursreglementen voor Amboina en Menado bepaald, dat ,,aLLe Inlanders tot de Indische bevolking behoorende" voor den landraad moesten terechtstaan, in tegenstelling met de Europeanen, Chineezen, Mooren, Arabieren en andere vreemdelingen, die voor den Raad van Justitie moesten

x) S. 1835: 43 en S. 1840: 2.

2) S. 1828: 46.

3) S. 1828: 61. Zie ook Mr. Prins op pag. 659.

Sluiten