Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen voor de ingezetenen gold, art. 109 R.R. betrof mede de niet-ingezetenen, zoodat dus, wanneer zij met de Indische wetgeving in aanraking kwamen, moest worden uitgemaakt tot welke bevolkingsgroep zij behoorden *).

D oor het onttrekken van de Inlandsche Christenen aan de groep der Europeanen, gaf de wetgever te kennen dat voor de twee groote groepen Europeanen en Inlanders de Landaard het criterium der onderscheiding was. De Regeering had dus ten aanzien van de hoofd indeeling het godsdienstcriterium losgelaten. Overgang naar een anderen godsdienst geeft voor den Europeaan of Inlander geen verandering van rechtstoestand. Voor de met beide groepen gelijkgeé telden bleef het godédienatcrilerium ten volle bewaard. Overgang tot den Mohammedaanschen godsdienst b.v. van een met Europeanen gelijkgestelde, brengt hem weder in de groep der met Inlanders gelijkgestelden, wat ten onrechte wordt bestreden door Mr. Abendanon 2).

Ten slotte wordt in het laatste lid van art. 109 R.R. aan den Gouverneur-Generaal de bevoegdheid gegeven om, ,in overeenstemming met den Raad van NederlandschIndie uitzonderingen (te) maken op de toepassing der in dit artikel gestelde regels" (lid 5). Dit heeft de wetgever toegevoegd om „zonder den godsdienst als criterium der gelijkstelling op te geven, evenwel op duidelijke wijze tegen de gevreesde gevolgen" een waarborg te hebben 3).

Terecht bleef een afzonderlijke vermelding van de afstammelingen van Europeanen in het Regeerings-Reglement achterwege. Zij toch zijn staatsrechtelijk door geboorte, door afstamming in de vaderlijke lijn van Europeesche vaders, zelf ook „Europeanen". In het Reglement betreffende de huwelijken in de iMolukken van 1861 kwamen zij nog wel voor.

*) Vgl. Marcella pag. 132. 2) T.a.p. pag. 73. *) Margadant t.a.p. pag. 275.

Sluiten