Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op Christen-Inlanders was art. 15 Ov. eveneens van toepassing, maar Vreemde Oosterlingen die Christen waren, behoefden zich niet te onderwerpen alvorens te huwen met een Europeaan of daarmede gelijkgestelde, daar zij volgens art. 109 lid 2 R.R. reeds tot de met Europeanen gelijkgestelden behoorden. De Christen-Inlanders, behalve die in de Molukken, konden zich na 1854 niet meer onderwerpen aan de bepalingen van den Burgerlijken Stand, daar zij niet meer met Europeanen waren gelijkgesteld. ,,11 1 j De onderwerping aan het Europeesche reent, bedoeld bij art. 15 Ov., betrof het geheele burgerlijk en handelsrecht, in tegenstelling met de zgn. „vrijwillige onderwerping" genoemd in art. 11 A.B., welke slechts het vermogensrecht betrof. Dus alleen wanneer een Inlander of daarmede gelijkgestelde een huwelijk wenschte aan te gaan met een Europeesche of daarmede gelijkgestelde vrouw, kon hij zich aan het geheele Europeesche burgerlijk en handelsrecht onderwerpen. Aangezien Mr. van den Berg aanneemt, dat de onderwerping volgens art. 15 Ov. van rechtswege verviel, indien het voorgenomen huwelijk niet plaats vond1), kon dus volgens hem een Inlander of met hem gelijkgestelde, die geen gemengd huwelijk sloot, zich niet onderwerpen, ,met het oog op rechtshandelingen, waarbij de persoonlijke staat, d.w.z. de publieke orde, betrokken (was)"; dit zou in strijd geweest zijn met art. 23 A.B. 2). Een Inlander of met hem gelijkgestelde kon dus b.v. niet volgens het B. W. een natuurlijk kind erkennen, ook al wilde hij zich voor een zoodanige rechtshandeling aan het Europeesche recht onderwerpen 2). Eigenaardig is daarom een gouvernementsbesluit van 21 Juli 1885, waarbij de erkenning van een natuurlijk kind door een heidensch Afrikaan rechtsgeldig werd verklaard 3).

!) Praeadvies enz. Mr. v. d. Berg, pag. 21.

2) Ibidem, pag. 20. , . . 1 • 1

3\ Bb, 4259. Een heidensch Afrikaan had nl. een natuurlijk kind

erkend, dat opgenomen was in een Christelijk kerkgenootschap en dat toen met Europeanen wenschte te worden gelijkgeste . Op den vader waren toepasselijk, volgens art. 75 R.R., zijn gods-

Sluiten