Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V

DE INDEELING DER BEVOLKING ONDER DE THANS VIGEERENDE INDISCHE STAATSREGELING

Nadat in den aanvang van de 20e eeuw, niet alleen in Let maatschappelijk leven maar ook in de lagere wetgeving, de rassentegenstelling allengs begon te verdwijnen, kwam de wetgever in 1920 met een nieuwe bevolkingsindeeling, die volgens het Verslag der Herzieningscommissie van 1918 „reeds bij de geboorte ten doode

was opgeschreven" *).

Om te trachten de vele moeilijkheden, waartoe de onduidelijke redactie van art. 109 R.R. aanleiding heeft gegeven, op te lossen, heeft de wet van 31 December 1906 a) een nieuwe redactie van genoemd artikel gegeven 3). Deze gewijzigde redactie is eerst op 1 Januari 1920 in werking getreden en is, behoudens eenige geringe wijzigingen in 1925 aangebracht, geheel overgegaan in art. 163 der Indische Staatsregeling. In 1919 ) is in art. 109 (nieuw) R.R. een lid ingevoegd, dat den Gouverneur-Generaal de bevoegdheid geeft de bepalingen voor Europeanen toepasselijk te verklaren op personen, daaraan niet onderworpen. De toepasselijkverklaring geldt mede van rechtswege voor de daarna geboren wettige en wettelijk erkende kinderen en ver-

i) Verslag Herzieningscommissie, pag. 39. e.v. Q(L ,c

f) S. 1907 : 205, Ned. S. 1906 : 347. Zie Mr. Kleintjes, Staatsinstellingen I, 6e druk, pag. 105. e.v. kUilrf wel

3) Dat de redactie van art. 163 I.S. nog niet ideaal is, blijkt wel

uit de door Mr. C. van VollenWen genoemde vijf „factoren van verwarring" (Staatsrecht Overzee, pag. 99 e.v.).

4) S. 1919 : 622.

Sluiten