Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dere afstammelingen van den betrokkene 1). Deze bepaling achtte de Regeering noodig, daar de „gelijkstelling" van art. 109 lid 5 (oud) R.R. door de nieuwe redactie zou komen te vervallen. Tevens is deze „gelijkstelling" in overeenstemming gebracht met de bewoordingen van art. 109 (nieuw) R.R. door te spreken van „toepasselijkverklaring". Het in de laatste zinsnede van art. 163 lid 5 I.S. bepaalde was bij de vroegere gelijkstellingen stilzwijgend aangenomen, maar werd nu in de wet neergelegd. De wet spreekt alleen van de „daarna geboren... kinderen" maar zegt niets aangaande de kinderen van den betrokkene, geboren vóór de toepasselijkverklaring. Men zou hieruit kunnen afleiden dat de toepasselijkverklaring niet geldt voor de daarvóór geboren wettige kinderen.

Door de bepalingen voor Europeanen toepasselijk te kunnen verklaren, is de mogelijkheid van toepasselijkverklaring van de bepalingen voor Inlanders of Vreemde Oosterlingen op personen daaraan niet onderworpen, uitgesloten 2).

De vier wettelijke bevolkingsgroepen van 1854 zijn nu vervangen door drie groepen, nl. Europeanen, Inlanders en Vreemde Oosterlingen. In de praktijk bestonden deze drie groepen reeds, daar van den aanvang af tusschen de Europeanen en de met hen gelijkgestelden geen enkel onderscheid was gemaakt. Art. 3 van de wet van 1906, hetwelk als een overgangsbepaling is te beschouwen, zegt dan ook in lid 1:,, Wanneer in bestaande algemeene en andere verordeningen... wordt gehandeld over met Europeanen gelijkgestelde personen, vervalt hunne bijzondere vermelding". De groep Vreemde Oosterlingen omvat de vroegere groep „met Inlanders gelijkgestelden". Zoo zegt art. 2 lid 1 van de wet van 1906 dat,^wanneer sprake is van „met Inlanders gelijkgestelden in bestaande verordeningen, daaronder moeten worden verstaan zij, die nu aan de bepalingen voor Vreemde Oosterlingen zijn onderworpen.

*) Nu art. 163 lid 5 I.S.

2) Vgl. Hoofdstuk IV, pag. 71.

Sluiten