Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd in 1860 door een algemeenen maatregel van bestuur geregeld 1), welke in 1872 door een nieuwe regeling werd vervangen 2). Een ordonnantie van 1866 gaf voorschriften aangaande de toelating van Vreemde Oosterlingen 3), die in 1872 in overeenstemming werden gebracht met de nieuwe regeling voor Europeanen 4). Over het algemeen waren de voorwaarden voor de toelating dezelfde. Voor Java en Madoera volgt in 1911 een algemeene maatregel van bestuur regelende de toelating van Nederlanders en vreemdelingen 5); onder deze laatsten zijn mede de Vreemde Oosterlingen te begrijpen, die zich aldaar willen vestigen. Voor beide categorieën zijn de voorschriften vrijwel gelijk. Het „Toelatingsbesluit" van 1915 6), van kracht voor geheel Nederlandsch-Indië, geeft voor alle landaarden eveneens vrijwel gelijke voorschriften.

2. Vestiging en ,, Wijkendwang".

Geldt voor Europeanen in geheel Nederlandsch-Indië vrijheid van woonplaatskeuze7), de vestiging van Vreemde Oosterlingen is aan beperkingen onderworpen, welke langzamerhand zijn verminderd. Tot 1918 mochten de Vreemde Oosterlingen zich alleen daar vestigen, waar wijken waren aangewezen voor hun landaard. Volgens art. 73 lid 1 R.R. waren zij „zooveel doenlijk in afzonderlijke wijken vereenigd, onder de leiding van hunne eigene hoofden", welk voorschrift reeds in den Compagniestijd bestond 8). Bij gouvernementsbesluit zijn in 1915 9) voor het meerendeel de wijken voor Chineezen

*) S. 1861: 40.

2) S. 1872: 38.

3) S. 1866: 56.

4) S. 1872: 40.

5) S. 1911: 138 en de „Toelatingsordonnantie" in S. 1912: 10.

6) A. M. v. B. van 15 Oct. 1915, S. 1916: 47, zooals deze is gewijzigd en aangevuld.

7) Zie S. 1902: 100 voor Java en Madoera en S. 1916: 47 voor de Buitengewesten; vgl. Mr. Kleintjes, Staatsinstellingen I, 6e druk, pag. 89 en „Het recht tot wonen en tot reizen in N.I." door W. Brokx.

8) Zie hoofdstuk I, pag. 23 e.v.

9) S. 1915: 679.

Sluiten