Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de technische samenstelling van het gebouw, zoodat het glasen waterdicht is, niet scheurt, lekt of tocht. Dit alles, zuiver verstandswerk, is bouwkunde. Maar waar de bouwkunde niet verder kan, daar begint de bouwkunst. Daar keeren wij terug tot de ruimte en haar geheimen, of liever, wij schrijden voorwaarts van het gebouw tot de ruimte, tof de levende ruimte, die in het geheele gebouw moet zijn als een groot, levenwekkend complex, alle onderdeelen van het gebouw ten levens wekkend en onderling bindend en het vervullend van de ontroering der ruimte. De ruimte deelt haar ontroeringen aan het gebouw mee. Het gebouw is het instrument, waardoor de ontroeringen levend in die ruimten en naar hun aard worden vertolkt. Waar een gebouw ons dus iets mededeelt van den zin of iets doet vermoeden van het geheim des levens, daar is de architect, de ruimtekunstenaar aan 't woord. Waar het ons alleen maar vertelt van dingen, die wij kunnen omschrijven met termen als: keurig, netjes, goed schoon te houden en den prijs, daar is bouwkunde aan t woord, een achtenswaardig bedrijf, maar ontroeringsloos. Wij zien ook, dat bouwkunde, waar ze toch de andere sfeer wil betreden, öf vervalt tot het foeileelijke, tot het sentimenteele, of tot oppervlakkig plagiaat van bouwvormen. De gemiddelde bouwkundige snapt echter heel moeilijk, dat bepaalde vormen alleen maar dienstig kunnen zijn voor bepaalde doeleinden. Al zijn er bouwkundigen, die zoo knap zijn in het toepassen van bouwvormen, dat zelfs geschoolde beschouwers er in vliegen en gepakt worden door de behendige en smaakvolle etaleering van bouwvormen, waarin deze heeren plegen uit te munten en die toch gespeend zijn van elk diep ruimtelijk besef. Alle bouwkunst ontspringt uit en keert terug tot de ruimte met haar rhythme. Wie als architect dit leven der ruimte kan verstaan en scheppen, dien zal al het andere toegeworpen worden. Maar wie dit niet heeft, dien zal genomen worden al wat hij heeft. De tijd zal tal van architecten van nu onverbiddelijk ontdoen van hun artistieke kleedij, totdat zij weer in hun bouwkundige hemd zullen staan.

Wij moeten dus aan de gedachte wennen, dat verreweg de meeste architecten geen architecten zijn. Dat de meeste gemeente-architecten geen architecten zijn, maar meer of minder bekwame opzichters, alleen berekend voor 't technische deel van hun taak. Wij moeten weten, dat ook de bouwkundig ingenieur-directeur van openbare werken nog geen architect is, al leest hij op gemeentekosten alle tijdschriften, die er

Sluiten