Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der en zijn toen reeds zeer schrale zuster Palmyra, die toen nog Truitje heette en ging, nog altijd in diep gepeins, per dilligence en per trein naar een heel groote stad, waar hij lange jaren woonde, zonder dat iemand, behalve hijzelf, wist, wat hij daar uitvoerde.

In afwachting van de komende dingen, was zijn suffe broer, — meneer Trentelaer, die nu met den knappen journalist aan de derde flesch bezig was, terwijl tante Palmyra nog steeds met arendsoogen de gedragingen van den regelrecht uit Engeland geïmporteerden butler volgde, — maar vast schaapherder geworden, een vak, dat hem bijzonder lag.

Met genoegen zag hij, hoe de schapen steeds meer wol kregen en toch maar heel schraal gewas vraten. Alleen speet het hem, dat het een ander was, die de schapen schoor, zoodat hij steeds maar weer met naakte schapen zat opgescheept, terwijl hij voor zijn goeden oppas maar matigjes beloond werd. Hij at ook maar een schraal kostje, net als de schapen van zijn baas, maar hij was het eenige schaap, waar geen wol van te scheren viel en dat van zomer tot winter even schamel gekleed ging.

Het kon hem echter weinig schelen. Hij zat tusschen zijn schapen, breide zijn sokken en de herdershond zorgde voor de rest. Zijn zus Palmyra, die bij den schapenboer diende en toen nog Truitje

Sluiten