Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijker nu, zijn herstellingswerkzaamheden voort.

Toen Bernard vijf minuten later op het punt stond bij een pastorie aan te bellen, om den pastoor over de beste wijze van weldoen te raadplegen, constateerde hij, gelukkig nog net op tijd, dat zijn portefeuille verdwenen was.

„Weldoen," zei Willem, „is een kunst".

Ze zaten samen bij de kachel op Bernards kamer. Er waren al weer een paar mooie dagen voorbij gegaan, — den Zigeuner met zijn manken wagen had Bernard niet meer terug gezien, — sinds hij dien avond verkleumd en duizelig, eindelijk in het licht van maan en sterren aan een hoogen toren Delft herkend had, waar hij met een leêg hoofd, een leêg gemoed en heelemaal zoo n beetje leêg een half uur later, — het was al na middernacht, — wankelend kwam binnenwandelen.

„Ja, heusch," zei Willem, „weldoen is een kunst. Ik heb je dat Woensdag niet willen zeggen, omdat je dan natuurlijk uit je humeur geraakt zou zijn. Het was dan ook geen prettig avontuur. Ik geef het je graag toe."

„Je hebt mooi praten," bromde Bernard en greep de pook, waarmeê hij het vuur ging zitten sarren, zoodat het gloeiende kolen begon te spuwen. „Die luizige zigeuner!"

Sluiten