Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wim ontmoette Bernard, en Adriaan, — ze wandelde heel alleen in den maneschijn met op het overdadige, blonde haar een klein, scheef hoedje, dat tot over de oogen een bescheiden voile neer liet dalen, — een „verduiveld aardig" meisje, dat ,,m'n hartje" tegen hem zei.

De nuchtere Adriaan begon tegen haar weer te stotteren, klopte op zijn met veel Bernardsch bankpapier gevulde portefeuille en verdween met zijn nieuwe aanwinst in het jolige café, dat hij pas had verlaten.

Op Bernards kamer, waarheen hij hem met veel zorg en overleg, langs steile trappen en over een struikeligen drempel had geloodst, wist Wim zijn hervonden vriend tot het klare denken terug te brengen, zonder nochtans voor de verleiding te zwichten zeer treffende parallellen te trekken tusschen zigeuners en lollige, lustig leenende studenten.

Zorgzaam dekte Wim zijn aangeschoten vondst toe en ging, zinnend over zijn mislukte lezing, naar huis terug, waar hij achter zijn schamel bureautje ging zitten en spelend met een vloeirolier tot het besluit kwam, dat de wereld andere dingen behoefde, dan steeds meer egoïstisch grommende machines.

Hij trok zijn versmaad betoog uit zijn zak, dat over ,,constructie-fouten" handelde en de stelling verdedigde, dat alle machines een groote fout be-

Sluiten