Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Des middags was hij een kwieke zakenman, die met een vriend een borrel dronk en een half uur later was hij die vriend, die den kwieken zakenman zeer handig en zonder moeite een duizend gulden door den neus boorde.

Om zes uur zien we hem, als Adriaan Menartje, die zich absoluut niet meer herinneren kan ooit iets van Bernard Trentelaer geleend te hebben.

Den heelen dag was hij tevens de vriendelijke hoofdredacteur uit de stad, waar Wim en Bernard thuis hoorden, en had manmoedig standgehouden tegen de verleiding zijn eigen meening neer te schrijven, wat dan ook een heele boel onnoodige last gegeven zou hebben.

Des nachts werd hij oom Trentelaer, die genoeglijk en tevreê van schapen droomde, warm liggend onder hun wol. En hij had rust noodig, onze arme homo economicus, want hij moest 's anderendaags vroeg op. Een nieuw en grootsch Tregeco-huis stond dan geopend te worden.

Geen zachtzolig kamermeisje kwam hem dien anderen morgen wekken, maar het was de knekelige vinger van tante Palmyra, die, met strengen nadruk tikkend tegen de kamerdeur, hem waarschuwen kwam, dat er een dag van groot formaat was aangebroken.

Sluiten