Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkennen, stak wat geld bij zich, praatte zijn oom wat voor over een studie-reis naar Londen, liet de huisdame voor de bepakking der koffers zorgen, verliet het huis zijns ooms en maakte zich onkenbaar door een bril met groene glazen op te zetten en op een veilig plekje zijn hals met een voorhistorisch boord te omheinen.

„Jansen heet ik nu," sprak hij bij zichzelf. „Mijn vader was koperslager en ik woonde het laatst bij 'n hardvochtigen oom. die alsmaar konijnen fokte."

De homo economicus, die nu weer een keiharde personeel-chef van het Tregeco-huis te Ter Maze was, — een echt Hollandsche stad met een stralenden spiegel in elk venster en schrobbende dienstmeisjes op elke stoep, — lachte eens wijs en zei toen:

„Jansen! Wat moet ik met al die Jansens? En wat zou een koperslagerszoon weten van confectie, kinderkleeding, speelgoed en gevoerde doodkisten?"

Bernard Trentelaer, hoewel geen zoon van een koperslager, doch, — wat erger was, — eerlang heerscher over heel het land van Tregeco, — moest, zwetend achter zijn hooge boordje, erkennen, dat hij heel weinig wist van gevoerde doodkisten en kinderkleeding, en vroeg alleen maar het nederige postje van liftjongen.

Sluiten