Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII. Adel en kerk

TEGEN het eind der tiende eeuw beginnen de Duitsche keizers pogingen te doen, om ons land werkelijk tot een deel huns rijk te maken. Utrecht, dat nog maar weinig gebied bezat, was tot dien tijd vrijwel hun eenig steunpunt geweest. Het rechtsgebied des bisschops kwam vrijwel overeen met de tegenwoordige provincie doch ging westelijk tot voorbij Bodegraven ; het Oversticht (Overijssel) bestond nog niet. De afstammelingen van graaf Everhart vinden wij beleend met den Achterhoek, Salland, Drente en de Veluwe; ze behoorden blijkbaar tot de vrindjes. Over de Friezen van Aurich (in O. Friesl.) tot Schagen zal de keizerlijke regeering niet veel te zeggen hebben gehad, en de graven van Holland waren regelrecht rebelsch. Keizer Otto II (973-983) is er in geslaagd, dat verzet wel niet te breken, maar het te doen ophouden. Rijke gunsten bewogen Diederik II zelfs tot krijgsdienst naar Italië. Het was een twijfelachtig en duur voordeel, aldus door de regeering behaald; dat bewijzen de gebeurtenissen. De zwager van graaf Arnulf, Hendrik, hertog van Beieren, werd 1002 koning van Duitschland. Hij heeft Arnulfs weduwe in 1005 gewapende hulp verleend, om het graafschap voor haar zoontje Diederik III (tot 1039) te behouden. Maar toen deze bevel kreeg, de Tielsche en Rijnsche kooplieden niet langer van zijn kasteel te Vlaardingen uit om tol lastig te vallen, gehoorzaamde hij niet. Het rijksleger, onder den hertog van Lotharingen tegen hem gezonden, bleef 1018 in den modder steken en werd jammerlijk verslagen.

Tegen het machtige Vlaanderen ging het even ongelukkig. In 1006 en 1007, dus tweemaal achter elkaar, trok de koning te velde om de rijksgrenzen te verdedigen. In 1012 wordt de graaf beleend met Zeeland bewester Schelde, d. w. z. Walcheren en

Sluiten