Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op deze wijze geraakte het goed der Italiaansche kerk in vreemde handen en zij zelf in gruwelijk verval. Het was nog niet eens het ergste, dat de beroemdste kerk- en kloostergebouwen geen dak bezaten, dat het regenwater tegenhield; veel ernstiger dan de stoffelijke schade was de geestelijke, de onwaardigheid der functionarissen, het grof eigenbelang, dat bij hen de plaats innam van vrome overdenking en ijverige prediking van het woord der Verlossing. Al wat nog degelijk en weldenkend was, ergerde zich aan die toestanden, en sloot zich met geestdrift aan bij de Cluniacenser-beweging.

Doch wat konden de mannen van Cluny verrichten, zoolang de benoeming van hooge en lage geestelijken in handen was van eigenzuchtige leeken ? Gaf niet de keizer, de beschermheer der kerk, het voorbeeld wanneer hij, een leek, bisschoppen benoemde naar hun persoonlijke aanhankelijkheid aan hem ? Dat moest dus eindigen. De paus alleen bezat dat recht, en in zijn naam, voor de lagere plaatsen, de bisschoppen.

In landen als Frankrijk, waar de clerus niet zooveel rijksgoed bezat, stiet de beweging op niet al te veel tegenstand. Het was onaangenaam voor den koning, de bisschoppen niet meer te mogen aanwijzen, maar hij kon toch zijdelings zijn invloed wel doen gelden. Het waren namelijk de kapittels der domkerken (dus de bovengeprezen kanunniken) en een deel der omwonende aanzienlijken, die de door den paus te bevestigen keuze voortaan zouden verrichten. Met hen viel natuurlijk te praten. Maar in Duitschland tastte de Cluniacenser-eisch de grondslagen van het rijk aan. Daar bestond ook niet de groote ergernis; de kerk leefde daar nog in kinderlijke onschuld, zij het ook tevens in kinderlijke zelfzucht. Al verpestte zij de maatschappij niet, zij verzuimde toch al te zeer haar te veredelen. Het ontbrak dan ook niet aan Duitsche aanhangers der nieuwe richting.

Juist voor de minder bedorven landen was het voor het ver-

Sluiten