Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de hoogere standen ? Geenszins. Ook de volksklasse had behoefte aan afvloeiing en vond die in het klooster bevredigd. Maar de hoogere standen weten altijd en overal hun bevoordeelde positie te bewaren. Een klooster was niet, wat het thans is, een stil gebouw; het was in de Middeleeuwen ongeveer wat nu een groot modern industriebedrijf is : een wereld op zich zelf, met eigen inrichting voor alles, en vooral menschen van allerlei soort en rang. Binnen de ommuring verhieven zich naast de kerk verscheidene gebouwen, waaronder de woning van den abt door aanzienlijkheid uitblonk. Het was een groot heer, wien de Christelijke deemoed gewoonlijk niet verhinderde in prachtige gewaden, op rijk getoomde rossen, met een schitterend gevolg uit te rijden. Ook de prior zal meest een man van aanzien geweest zijn. Wel verre van verloren te zijn in gebeden, beheerden die grootwaardigheidsbekleeders aanzienlijke goederen, en stonden, hoewel niet altijd tot hun genoegen, in betrekking tot vorstelijke of adelijke begunstigers, die hun invloed binnen de kloostermuren zeer merkbaar plachten te maken. Men stelle zich niet voor, dat iemand, die het klooster ging bezoeken, door een eerwaardig monnik aan de poort werd opendaan. Men bevond zich, overdag althans, eerst te midden van een groot aantal mannen en vrouwen, die het een of ander geestelijk onderscheidingsteeken droegen, doch niet den monnikspij. Dit waren de conversen of leekebroeders, ongewijde kloosterlingen, aan een minder strengen regel onderworpen, maar tot het verrichten van handenarbeid verplicht, en wonende in de bijgebouwen. In het hoofdgebouw eerst trof men de élite, de monniken of nonnen, klein in getal. Er zijn zeker niet weinig vrome godsdienaren bij geweest, maar het gros was zooals elk gros : gewoon of erger. Als dames en heeren leefden ze te midden hunner talrijke conversen, die voor hen werkten, en soms voor hen vochten. Zoo hebben de monniken van Klaarkamp (ten noorden van Leeuwarden) met hun

Sluiten