Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omschreven misdrijf, ofschoon als n i e t wettig en overtuigend bewezen werd aangenomen, dat requirante bij het plegen van hare handelingen wist dat de vrucht leefde; O. ten aanzien hiervan:

dat het Hof aannemende, dat voor het feit, strafbaar gesteld bij art. 297 Strafr., noodig is, dat de vrucht, waarvan de vrouw zwanger was, leefde en dat de handelingen ondernomen zijn met het opzet zulk een levende vrucht af te drijven, met juistheid rekening gehouden heeft met de in dat artikel voor strafbare afdrijving gestelde eischen;

dat het Hof, terwijl feitelijk vaststond, dat de vrucht heeft geleefd tijdens de baring, en dus tijdens de door de requirante op het meisje v. D. ondernomen handelingen, het opzet van requirante te recht aanwezig geacht heeft nu deze, zooals mede feitelijk vaststaat, bij hare handelingen van de die handelingen beheerschende veronderstelling uit ging, dat de vrucht leefde en met hare handelingen het afdrijven der verondersteld levende vrucht beoogde;

O. dat alzoo het middel is ongegrond;

Gezien art. 347 Strafv.;

Verwerpt het beroep.

W. 8580.

3 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 19 Juni 1911. Opzet.

Uit de opgaven van beklaagde heeft het Hof aanwijzingen kannen patten en dus ook mogen putten, voor het bewijs, dat al was des beklaagden beweegreden tot zijne daad alleen zijne begeerte om een bepaald persoon uit den weg te ruimen, toch zijn plan mede omvatte het dooden van die personen, die van de bij eerstbedoelden persoon te bezorgen taart mochten eten, en wel in het bijzonder van de vrouw van dien persoon.

J. J. B. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 Maart 1911, waarbij de requirant in hooger beroep met vernietiging van een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Alkmaar van 13 Dec 1910, en met gedeeltelijke vrijspraak van de aanklacht, werd schuldig verklaard aan moord en poging tot moord, en met toepassing van de artt. 45, 55 en 289 Strafr., werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.