Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat dit punt bij het onderzoek in eersten aanleg niet voldoende tot klaarheid is gebracht en bij het onderzoek in hooger beroep niet meer voldoende tot klaarheid gebracht is kunnen worden, zoodat het Hof gronden aanwezig acht voor twijfel, of deze getuige, toen zij de pijpjes uit het vaasje nam en in het door haar verlaten huis achterliet, van de gevaarlijkheid van deze voorwerpen zich bewust is geweest;

O. dat toch eenerzijds uit de verklaringen door deze getuige zoo voor de politie als voor den officier-commissaris en voor het Hof afgelegd zou volgen: dat zij destijds door den thans appellant tegen de bedoelde pijpjes was gewaarschuwd als zeer gevaarlijk; dat deze waarschuwing op haar althans zooveel indruk had gemaakt, dat zij „er niet aan dorst te komen" (verhoor voor de politie); „het verstandiger vond de dienstbode te zeggen, dat zij er niet aan mocht komen" (verhoor voor den officiercommissaris); „ze toch niet goed durfde aan te raken" (verhoor voor het Hof); dat het haar destijds bekend was, dat appellant werkzaam was aan een bandgranaten-school, en zij ongeveer wist, wat een handgranaat is („een voorwerp, dat geworpen wordt en dan ontploft"); dat het haar ook bekend was, dat appellant onderdeelen van handgranaten op zijne zitkamer placht te hebben, en zij had opgemerkt, dat appellant „wel zeer nonchalant" was;

O. dat, legt men echter verband tusschen de verklaringen van deze getuige, die van de dienstbode, getuige S., en de zich niet steeds gelijk blijvende verklaringen van appellant, alsdan anderzijds ook weer niet te ontkennen valt het gewicht van hetgeen de getuige P. in hare verschillende verhooren heeft doen uitkomen, dat zij aan de waarschuwingen van appellant — deze zegt wèl hare moeder, maar niet haar tegen de beide pijpjes te hebben gewaarschuwd — eigenlijk geen geloof heeft geslagen, omdat zij zich niet heeft kunnen voorstellen, dat appellant zóó onvoorzichtig zoude zijn om werkelijk zeer gevaarlijke voorwerpen op zijne Zitkamer mede te brengen en daar die voorwerpen dan open en bloot te laten liggen; dat immers uit deze verklaringen, in verband met elkaar beschouwd, blijkt, dat appellant het bedienend personeel meer dan eens heeft gewaarschuwd tegen allerlei, ook ongevaarlijke, op zijne kamer aanwezige onderdeelen van handgranaten, met de bedoeling, dat dit personeel er niet met de handen aan zou zitten; dat deze toeleg al te duidelijk kan zijn geweest om niet te worden doorzien door iemand van de ontwikkeling van deze getuige, die van dergelijke dingen minder „griezelig" was dan de dienstbode, getuige S.; dat daarenboven de omstandigheid, dat de pijpjes eenige maanden in een klein, open vaasje, voor ieder, dus ook voor appellant, zichtbaar, hebben gestaan en door appellant, toen hij met al het zijne voor goed vertrok, daar werden achtergelaten, terwijl door hem gedurende de maand, dat getuige P. het huis nog bleef bewonen, er geen navraag naar werd gedaan, heeft