Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beginsel „geen straf zonder schuld" indruischende leer, te aanvaarden. (H. R. 25 Febr. 1929, W. 11971; N. J. 1929,1500). Ik acht dit middel dus gegrond.

De Hooge Raad, enz.;

O. naar aanleiding van het eerste middel;

dat, in overeenstemming met het in de strafrechtswetenschap gehuldigde beginsel, in strafzaken moet worden aangenomen, dat ook bij overtredingen bij afwezigheid van alle schuld, geen straf wordt opgelegd;

dat voorzeker de wetgever een strafbaar feit zoodanig zoude kunnen omschrijven, dat aan dit beginsel afbreuk zou worden gedaan, en uitdrukkelijk zou blijken van zijn wil, dat ook bij afwezigheid van alle schuld straf zal worden opgelegd;

dat echter de artikelen 32 en 33 der Motor- en Rijwielwet bij de daarin geregelde aansprakelijkheid van den eigenaar of houder geenszins van zulk een wil doen blijken;

dat veeleer aannemelijk is, dat die aansprakelijkheid berust op de overweging, dat de eigenaar behoort mede te werken om de vervolging van den werkelijken dader mogelijk te maken, en heeft te zorgen, dat hij weet, door welke personen zijne motorrijtuigen telkens worden bestuurd;

dat ook de geschiedenis van de totstandkoming dezer wet niet tot eene andere opvatting van het wetsvoorschrift noopt;

O. dat derhalve, nu de Rechtbank uitdrukkelijk vaststelde, dat in dezen bij den verdachte alle schuld ontbrak, eene veroordeeling door haar niet behoorde te zijn uitgesproken;

dat het middel derhalve gegrond is;

O. dat, nu reeds om deze reden het vonnis moet worden vernietigd, het onderzoek van het tweede middel vervalt;

Vernietigt het bestreden vonnis, doch alleen voor zoover de verdachte strafbaar is geoordeeld, en hem straf is opgelegd;

Rechtdoende krachtens artikel 105 R.O.:

Ontslaat hem van alle rechtsvervolging. Ned. Jur. 1932, bL 765:;

10 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 12 November 1900.

Art. 1 W. v. Str.

De wet is de in haar tekst uitgedrukte wil des wetgevers. Wel mag en moet, waar die tekst voor verschillende uitlegging vatbaar is, des wetgevers van elders gebleken bedoeling in aanmerking komen tot