Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook al zou het derhalve achteraf aan den rechter voorkomen, dat het beter ware geweest, indien bij het oorspronkelijk gegeven bevel eene bizondere voorwaarde ware gesteld, dan mist bij toch de macht om in dat opzicht zijne uitspraak te wijzigen. Een beroep op het algemeen belang of op het bizonder belang zelfs van den veroordeelde, — trouwens niet afdoende waar de wet duidelijk den ingeslagen weg afsluit, — kan te minder tot rechtvaardiging dienen, nu de wet in art. 14 k elk rechtsmiddel uitsluit en dus de waarborg voor den veroordeelde tegen verkeerde toepassing daarvan is gezocht in de duidelijke woorden der wet en de eenvoudigheid der te geven beschikking.

De Rechtbank heeft dus ten onrechte eene bizondere voorwaarde opgelegd, bovendien met overigens voor de hand liggende consequentie daarbij bepalende, dat niet-naleving daarvan last tot ten uitvoerlegging Zal kunnen ten gevolge hebben. — Ook dit was in strijd met de wet, want niet de rechter had de eventueele sanctie van overtreding der voorwaarden aan te geven, waar de wetgever zulks in art. 14/, g en h heeft gedaan. Buiten die wettelijke sanctie is eene andere niet bestaanbaar.

Hoewel eventueele benadeeling van den veroordeelde in dit geval kan worden voorkomen, doordat het O. M. volgens art, 14 ƒ van overtreding van voorwaarden wel kan, maar niet behoeft kennis te geven met eene vordering aan den rechter en het in geval van overtreding dezer buiten de wet om gestelde bizondere voorwaarde, deze mededeeling en vordering wel achterwege zal laten, acht ik de zaak toch van genoegzaam belang ook voor het vervolg, om eene beslissing van den Hoogen Raad uit te lokken.

Ik heb mitsdien de eer onder overlegging van de betreffende stukken, wegens schending van de artikelen 14 g en h in verband met art. 14 a,c,f enk Sr., te vorderen, dat de bestreden beschikking van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam zal worden vernietigd in het belang der wet, met bepaling dat 's Hoogen Raads arrest geen nadeel zal kunnen toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.

De Hooge Raad, enz.;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Bosch;

Gelet op het middel van cassatie namens den requirant voorgesteld, luidende: (Zie conclusie Advocaat-Generaal);

O. dat na het bovenomschreven vonnis van 14 Maart 1919 de kennisgeving, bedoeld in artikel 14 e Sr., op 31 October 1921 aan van der G. is beteekend, zoodat op dien datum de bij dat vonnis bepaalde proeftijd inging;

O. dat van der G. zich in Augustus, dus voor het ingaan van zijn proeftijd, opnieuw aan een strafbaar feit (diefstal) heeft schuldig gemaakt en te dier zake door het Gerechtshof te Amsterdam op 20 September 1921, dus vóór het einde van zijn proeftijd onher-