Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te werpen naar een tafel, waaraan ook hoofdofficieren gezeten waren, waarbij de aanzittenden bijna geraakt waren geworden — dat hij daarover door den Regiments-Commandant en een anderen hoofdofficier ernstig is onderhouden; dat hij nadien dus wist, dat het gebruik van veel alcoholhoudenden drank bij feestelijke gelegenheden, voor hem tot zeer ernstige gevolgen kon leiden en hij daaruit de les had moeten putten, die in het voorval gelegen was; dat hij desniettegenstaande reeds vóór en verder tijdens het korps-diner op 21 November 1931 eene zeer ruime hoeveelheid van allerlei alcoholhoudende dranken tot zich heeft genomen en er dus van het betrachten van de voor hem, naar hij wist, geboden voorzichtigheid op dit punt geen sprake is geweest;

O. dat het Hof het standpunt van de deskundigen deelt, dat het niet aangaat iemand, die om welke reden en krachtens welke ervaring dan ook weet, dat hij met alcohol-gebruik voorzichtig moet zijn, niet aansprakelijk te stellen voor delicten, in een door eigen onvoorzichtigheid ontstanen roes gepleegd, en het Hof reeds daarom de eind-conclusie van het rapport moet verwerpen;

O. dat trouwens thans ook niet meer juist kan worden geacht, waaraan de deskundigen groote waarde hadden toegekend, dat de beklaagde bij vorige gelegenheden groote hoeveelheden alcohol zonder voor hem schadelijke gevolgen heeft kunnen verdragen, waaruit zij dan afleiden, dat de dezen keer opgetreden stoornis na gebruik van eene ruime hoeveelheid alcohol eene voor den beklaagde abnormale reactie zoude zijn; dat immers het gebeurde in het militaire kamp heeft geleerd, dat de beklaagde niet steeds tegen het gebruik van alcohol bestand was;

O. dat, ook indien men het gebeurde in bedoeld kamp geheel buiten beschouwing laat, de feitelijke basis van het rapport veel te zwak is om daarop de conclusie te bouwen, waartoe de deskundigen in hun rapport zijn gekomen;

dat toch eenerzijds geenszins met zekerheid is gebleken, hoe groot de hoeveelheden jenever, wijn, champagne en wellicht ook bier zijn geweest, die de beklaagde op 21 Nov. 1931 binnen enkele uren tot zich heeft genomen, en anderzijds evenmin aan den dag is gekomen tegen hoe groote en binnen welken tijd genuttigde hoeveelheden alcohol de beklaagde bij vroegere gelegenheden wèl bestand is gebleken; dat het rapport omtrent dit laatste geen voldoende licht geeft en ter terechtzitting daaromtrent enkel vage en ietwat fantastische mededeelingen zijn gedaan; dat onder deze omstandigheden eene vergelijking tusschen het een en het ander geene waarde heeft voor de conclusie, dat men hier te doen zou hebben met eene voor den beklaagde ongewone, abnormale reactie op alcoholgebruik;

dat, op grond van een en ander, het Hof niet inziet, waarom in dit geval van dronkenschap zou moeten worden gehandeld in tegenstelling met de overgroote meerderheid der gevallen van dronkenschap;