Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sonen die te zamen het huwelijk zullen aangaan is echter m.i. een onmisbaar vereischte. Zonder die verschijning is geen huwelijk mogelijk — maar dan is dit ook geen voorbereidende handeling meer, maar een werkelijk begin van uitvoering.

In casu nu blijkt uit het vonnis, dat die verschijning niet heeft plaats gehad; de nu-req. is alléén verschenen en al moge hij nu bij den ambtenaar op de voltrekking van het huwelijk hebben aangedrongen en zelfs hebben gedreigd zich over de niet voltrekking te .zullen beklagen — dan kan dit alles wel het bewijs leveren van het bij hem bestaand voornemen om in strijd met de wet een tweede huwelijk aan te gaan — maar, ook mij komt het voor, dat men in die handelingen nog niet kan zien een begin van uitvoering.

Geheel in dien geest luidt eene beslissing van het Hof te Angers van 29 Mei 1829: ,4e fait par un individu marié d'avoir effectué des démarches auprès des officiers de 1'Etat civil pour préparer un second mariage, d'avoir déposé dans ce but certaines pièces, d'avoir requis la publication des bans et la fixation du jour de la célébration, ne constitue pas un commencement d'exécution du crime de bigamie".

Het middel mij alzoo gegrond voorkomende heb ik de eer te concludeeren dat uw Raad het in deze gewezen arrest zal vernietigen en krachtens art. 105 R. O. ten principale rechtdoende den nu-req. van alle rechtsvervolging zal ontslaan met last tot zijne invrijheidstelling.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij memorie, toegelicht bij pleidooi:

Schending of verkeerde toepassing van de artt. 45 en 237 Strafrecht en de artt. 44,85,105,112,113,144 en volgende, 126,131,133 en 135 B.W. door den req. te veroordeelen wegens poging tot het aangaan van een dubbel huwelijk;

Overwegende, dat blijkens het bestreden arrest en de daarbij overgenomen beslissingen van den eersten rechter, de in hoofde dezes vermelde schuldigverklaring en veroordeeling door het Hof tegen den req. zijn uitgesproken ter zake van feiten op grond van wettige bewijsmiddelen ten zijnen laste aangenomen, uitvoerig in arrest en vonnis vermeld, en in hoofdzaak nederkomend op het navolgende:

dat de req. in het voorjaar van 1899 zich met zekere weduwe B. begeven heeft naar het Bureau van den Burgerlijken Stand te Venray en, ofschoon wetende, dat zijn vroeger huwelijk met M. C. H. nog op geenerlei wijze was ontbonden en dezen zijnen gehuwden staat aan voormelde weduwe verzwijgende, toen aldaar met haar aangifte heeft gedaan van zijn voornemen om te zamen te trouwen, opdat daarvan eene akte van huwelijksaangifte zou worden opgemaakt en de tot het voorgenomen huwelijk vereischte afkondigingen zouden plaats hebben,