Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 11 Januari 1904.

Art. 45 W. v. Str.

De beantwoording der vraag of er begin van uitvoering van een bepaald misdrijf is, moet uit de omstandigheden van elke zaak afgeleid worden, terwijl het in het algemeen voldoende is, dat de handelingen met het voorgenomen misdrijf in noodzakelijk en onmiddellijk verband staan en met het oog daarop ondernomen zijn.

A. v. D. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 Sept. 1903, waarbij, met vernietiging van een vonnis van de Arr.-Rechtbank te Dordrecht van 13 Juni 1903, wat ' betreft de aan het als bewezen aangenomen feit gegeven qualificatie, als hoedanig wordt gesteld „poging tot verkrachting, waarbij het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard, en de uitvoering alleen tengevolge van omstandigheden van zijn wil onafhankelijk niet is voltooid" — overigens is bevestigd voornoemd vonnis, bij hetwelk de requirant is schuldig verklaard aan hetgeen hem bij dagvaarding is ten laste gelegd.

De adv.-gen. Noyon heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heerenl

Voor den wegens strafbare poging tot verkrachting veroordeelden requirant is als eenig middel van cassatie aangevoerd:

Schending van artikel 45 in verband met artikel 242 Strafrecht door de feiten, in de dagvaarding omschreven en bij de uitspraak bewezen verklaard, te quaKficeeren als poging tot verkrachting en den requirant te dier zake te veroordeelen.

Blijkens de toelichting berust het middel hierop dat de in de dagvaarding omschreven handelingen logisch niet konden leiden tot veroordeeling omdat zij op zich zelf niet bewijzen welk voornemen de requirant had; zij waren dienstig tot het bereiken van allerlei andere dingen dan juist het hem toegedichte misdrijf. Weliswaar heeft de requirant eene bekentenis omtrent dat voornemen afgelegd, maar art. 45 wordt gezegd te vorderen dat het feitelijke optreden zoo duidelijk en zoo vergevorderd moet zijn dat daaruit alleen bet voornemen reeds te onderkennen is. Zoolang dat niet het geval is zouden er slechts niet strafbare voorbereidende handelingen zijn.

De grondslag dezer bewering is eene opvatting der in art. 45 voorkomende woorden „wanneer het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering openbaart" in dien zin dat aan de handelingen