Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen daartoe, waarop het middel alleen steunt, niet is van zoodanig gewicht als de requirant daaraan hecht;

dat toch waar bij strafbare poging tot misdrijf evenzeer als bij vottooiing daarvan, het voornemen des daders was het misdrijf te plegen, het begin van uitvoering van zijn voornemen in werkelijkheid evenzeer samenvalt met het begin van uitvoering van het misdrijf als de geheele uitvoering van dit laatste met de geheele uitvoering van des daders voornemen; welke beschouwing steun vindt in de Mem. v.Toel. van Tit. IV Boek I Strafr., waar zij in haar aanvang luidt: „Poging kan men in het algemeen noemen eene handeling waardoor de uitvoering van een bepaald voornemen begonnen, maar niet voltooid is; korter, het begin van uitvoering eener voorgenomen handeling. Poging tot misdrijf is dan de begonnen, maar niet voltooide uitvoering van een misdrijf of wel de door een begin van uitvoering geopenbaarde wil om een bepaald misdrijf te plegen";

O. voorts dat, al moge de tekst van art. 45 Strafr., gelijk het Hof aanneemt, vatbaar zijn voor tweeërlei opvatting, die opvatting de voorkeur verdient, welke evenzeer in overeenstemming is met des wetgevers bedoeling als de tegenovergestelde daarvan afwijkt;

dat nu die bedoeling onmiskenbaar was, gelijk het Hof terecht van oordeel is, in aansluiting aan de onder de werking van art. 2 C. P. hier te lande in de rechtspraak algemeen aangenomen leer in het nieuwe Wetboek uit te drukken, dar onder de bestanddeelen der strafbare poging tot misdrijf behoort een begin van uitvoering van het misdrijf, dat de dader zich voornam te plegen;

dat dit ontwijfelbaar volgt uit den reeds aangehaalden aanvang der toelichting van Titel IV Boek I, maar dat het daarna nog eens met zooveel woorden wordt gezegd waar als voorwaarden of vereischten der strafbare poging tot misdrijf worden genoemd 1°. het voornemen om een bepaald feit, dat bij de wet als misdrijf is strafbaar gesteld te plegen; 2°. een begin van uitvoering van dat misdrijf;

dat in het vervolg der toelichting nog herhaaldelijk de nadruk wordt gelegd op het sub 2°. genoemde vereischte, en bepaaldelijk in verband tot „de poging met ondeugdelijke middelen" o.m. wordt gezegd: „Is het aangewende middel van dien aard, dat daardoor in geen geval het misdrijf tot uitvoering kan komen; de uitvoering kan daardoor ook niet worden aangevangen. Is daarentegen de ondeugdelijkheid alleen relatief uit hoofde van de omstandigheden waaronder, of den persoon door of tegen wien een bepaald misdrijf wordt gepleegd, dan is een begin van uitvoering denkbaar";

O. dat uit dit alles volgt de juistheid van 's Hof s rechtsbeslissing en mitsdien de onaannemelijkheid van het daartegen aangevoerde middel van cassatie.

Verwerpt het beroep.

W. 8372.