Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 Maart 1920, waarbij in hooger beroep is bevestigd een vonnis van de Arr.-Rechtbank aldaar van 22 Januari 1920, bij hetwelk hij als schuldig aan: „poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking" met toepassing van de artt. 45, 310, 311 Sr. is veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Hesse;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi, luidende:

L Schending van de artt. 45, 310, 311 Sr., 211, 216, 221, 239, 246, 247 Sv., daar uit het bewezenverklaarde slechts blijkt, dat het verbreken van het zegel strekte ter uitvoering van requirants voornemen tot misdrijf, niet ter uitvoering van misdrijf, en dat requirant in de uitvoering van dat voornemen, niet van misdrijf, is gestoord, terwijl gemelde verbreking niet is een uitvoeringshandeling van het misdrijf en de Rechter niet kon aannemen, dat het verwekte alarm de uitvoering van het misdrijf verhinderde, daar toch de telastelegging een onverbrekelijk verband legt tusschen het alarm en de verbreking van het zegel, terwijl ten 'slotte de Rechter in ieder geval had behooren te onderzoeken, of requirant gemeld geldkistje had kunnen openen en daaromtrent had behooren te beslissen;

O., dat met qualificatie en strafoplegging als gemeld, bij het door het bestreden arrest bevestigde vonnis van hetgeen den beklaagde, nu requirant, bij inleidende dagvaarding was tenlastegelegd, bewezen is verklaard, dat bij op 22 October 1919 te 's-Gravenhage ter uitvoering van zijn voornemen om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen aan een ander dan aan hem beklaagde toebehoorende geldstukken, welke aanwezig waren in een geldkistje, hetwelk zich bevond binnen de kast van het automatisch telefoontoestel, hetwelk zich in een telefooncel bevond op het tweede perron van het Station der H. IJ. S. Mij. aldaar en welke telefoonkast was voorzien van een zegel, dat zegel heeft verbroken, zijnde de uitvoering van dat voornemen niet voltooid alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, dat een aan dat telefoontoestel aangebrachte alarminrichting alarm verwekte, waardoor hij in zijne misdadige handeling werd gestoord;

O., ten aanzien van het eerste middel, dat blijkens het vonnis zich destijds op het bedoelde perron een automatisch telefoontoestel bevond, geplaatst in een telefooncel, dat binnen de kast van dat toestel een van een sleutelslot voorzien geldkistje aanwezig was, waarin de dubbeltjes werden verzameld, die door een gleuf in het toestel waren geworpen, dat de binnen- en buitenkast van dat toestel elk van een sleutelslot waren voorzien, terwijl de buitenkast werd verzegeld door een plombeerloodje;