Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat in den avond van 22 October 1919 het slot van de buitenkast van dat toestel open bleek te zijn en het plombeerloodje verdwenen, en dat een paar dagen te voren aan dat toestel een alarminrichting was aangebracht, welke in werking trad, zoodra de deur van de buitenkast werd geopend;

O., dat het middel drie onderdeelen bevat waarvan het eerste loopt over de vraag of hier sprake is van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf dan wel enkel van een voorbereidingshandeling zooals bij de toelichting is betoogd;

O., dat de Rechtbank kennelijk de aanklacht in dien zin heeft opgevat, dat aan den beklaagde is tenlastegelegd, dat de uitvoering van het misdrijf was begonnen, welke uitlegging met haren tekst niet onvereenigbaar is en derhalve in cassatie moet worden geëerbiedigd;

dat, waar bewezen is verklaard, dat de beklaagde het zegel van de telefoonkast had verbroken, waarmede blijkbaar de verbreking van de verzegeling door het plombeerloodje is bedoeld — deze Verbreking, die noodzakelijk was om de buitenkast te kunnen openen, met het voorgenomen misdrijf in zoodanig verband stond, dat zij als een begin van uitvoering daarvan kon worden aangemerkt en niet als slechts een voorbereidingshandeling;

O., wat betreft het tweede onderdeel, dat de aanklacht weliswaar inhoudt, „dat tengevolge van de verbreking van gemeld zegel een aan dat telefoontoestel aangebrachte alarminrichting alarm verwekte," doch de Rechtbank deze omstandigheid niet in haren vollen omvang bewezen heeft geacht en alleen heeft aangenomen, dat de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid tengevolge van het verwekte alarm;

dat de Rechtbank mitsdien niet een onverbrekelijk verband heeft gelegd tusschen de verbreking van het zegel en het verwekte alarm, hetgeen zij kon doen zonder met den tekst der aanklacht in strijd te komen, zoodat zij hierdoor niet is gegaan buiten de grenzen der dagvaarding, zooals ten onrechte bij de toelichting van het middel is beweerd;

O. eindelijk ten aanzien van het derde onderdeel, dat toen de Rechtbank besliste, dat de beklaagde de uitvoering van het misdrijf niet had voltooid tengevolge van de genoemde van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, zij tevens uitmaakte dat de beklaagde het geldkistje had kunnen openen;

dat voorts het vonnis inhoudt, dat de beklaagde ter terechtzitting heeft opgegeven, dat hij, toen hij op den bewusten dag is aangehouden, drie sleuteltjes op zak had die hem waren verstrekt, toen hij, nog in dienst zijnde bij den Gemeentelijken telefoondienst, belast was met het ledigen van de geldkistjes van de automatische telefoontoestellen, dat hij in zijne gemelde dienstbetrekking het toestel op het perron van het Station van de H. IJ. S. Mij. meermalen met die sleuteltjes heeft ge-