Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 27 Juli 1882 (Stbl. no. 117), 11 Juli 1884 (Stbl. no. 123) en 8 December 1889 (Stbl. no. 175), de artt. 23, 56, 47, 1°., Strafrecht, 104°, en 11 der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64), is schuldig verklaard aan het geven van voorbereidend schoolonderwijs in twee afgekeurde lokalen, in strijd met de voorschriften van art. 5 der wet op het Lager Onderwijs, en te dier zake veroordeeld, zijnde bij het vonnis der Rechtbank het bewezen verklaarde feit gequalificeerd als het doen geven van schoolonderwijs in strijd met het voorschrift van art. 5 der wet tot regeling van het Lager Onderwijs in een afgekeurd lokaal.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie door den req. voorgesteld bij memorie:

IL Schending en verkeerde toepassing van art. 47 j°. 91 Strafrecht;

Overwegende, dat bij het in zoover bevestigde vonnis van den rechter in het vierde kanton van het arrondissement Amsterdam wettig en overtuigend bewezen is verklaard het aan beklaagde ten laste gelegde, hierin bestaande, dat hij op 14 Juni 1897 in twee lokalen van de, wat de regeling van het onderwijs betreft onder zijn leiding staande school, genaamd „St. Barbara" en gelegen in perceel no. 143 A aan de Da Costakade te Amsterdam, in welke school geen kinderen boven de zes jaren werden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs gegeven werd, aan de daar aanwezige kinderen voorbereidend schoolonderwijs heeft doen geven, bestaande o.a. in het leer en en laten zingen van liederen, en wel in het eene lokaal door mejuffrouw M. v. B. aan 80 — in ieder geval aan meer dan 60 — kinderen en in het andere lokaal door mejuffrouw C. K. aan 95 — althans aan meer dan 65 — kinderen; zulks terwijl de beide lokalen bij schriftelijke gemotiveerde verklaring van den Geneeskundigen Inspecteur voor Noord-Holland, dd. 14 September 1896, waren afgekeurd, wegens te geringe dus onvoldoende ruimte voor het aantal destijds schoolgaande kinderen (zijnde in het eerste lokaal 102 en in het tweede lokaal 88) en de toen bestaande en sedert dat tijdstip niet veranderde ruimte, door dien Inspecteur slechts voldoende werd geacht voor 60 in het eerste en 65 in het tweede lokaal, welke uitspraak van den Inspecteur bij besluit van Gedeputeerde Staten van NoordHolland dd. 6 Januari 1897 no. 87 is gehandhaafd, zijnde dit besluit op zijn beurt gehandhaafd en het daartegen ingesteld hooger beroep afgewezen bij Kon. Besluit dd. 11 Mei 1897, no. 14, en voorts, zonder dat die Inspecteur schriftelijk had verklaard, dat de afgekeurde lokalen voldoende verbeterd waren of dat het aantai kinderen genoegzaam was beperkt;

O. dat het tweede middel van cassatie is gericht tegen ae veroordeeling van den requirant wegens het doen geven van voorbereidend schoolonderwijs, terwijl op hun beurt zij die het voorbereidend onderwijs