Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven ook strafrechtelijk voor dit geven van onderwijs aansprakelijk waren te stellen;

O. dat de Rechtbank met den kantonrechter heeft aangenomen, dat dè req. het bij dagvaarding nader omschreven voorbereidend schoolonderwijs heeft doen geven en dat de req. strafrechtelijk voor dit doen geven volgens art. 47, 1°., in verband met art. 91 Strafrecht aansprakelijk is, terwijl hiertegen niet afdoet, dat de req. dit onderwijs deed geven door personen, die op hun beurt ook als daders voor dit geven van onderwijs aansprakelijk waren te stellen:

O. dat art. 9 der wet op het lager onderwijs alleen strafbaar stelt het geven van onderwijs in het daaromschreven geval, dat nu wel volgens art. 47,1°., van het strafwetboek als daders van een strafbaar feit worden gestraft zij, die het feit „doen plegen";

dat echter waar die uitdrukking reeds op zich zelve wijst op eene lijdelijke, min of meer werktuigelijke handeling bij hem, die haar pleegt, het verband met artikel 47, 2°., aantoont dat zij niet mag worden opgevat als het bewegen tot een strafbaar feit van een persoon, die strafrechtelijk daarvoor verantwoordelijk is;

dat toch bij deze opvatting ook zij als daders zouden worden aangemerkt, die een strafbaar feit op een andere wijze uitlokken, dan de in artikel 47, 2°., genoemde en de daar vastgestelde beperkingen geen zin zouden hebben;

dat hieruit volgt, dat de bewoordingen van art. 47 in zijn geheel genomen de bestreden opvatting der Rechtbank niet steunen terwijl die opvatting daarenboven in strijd is met de toelichting van het artikel, volgens welke „dader is evenzeer hij die het feit pleegt, niet persoonlijk maar door tusschenkomst van een ander, als werktuig in zijne hand, wanneer die andere wegens de onwetendheid, waarin hij verkeert, de dwaling waarin hij is gebracht of het geweld waarvoor hij zwicht, handelt zonder opzet, schuld of toerekenbaarheid;"

O. dat alzoo het tweede middel is gegrond, zoodat op het-bewezene niet mochten zijn toegepast de daarop toegepaste wetsbepalingen en dat het ook niet valt onder eenige andere strafbepaling;

Vernietigt het vonnis door de Arrond. Rechtbank te Amsterdam den 4 Maart 1898 in deze zaak gewezen;

En rechtdoende krachtens art. 105 R. O.;

Vernietigt mede het daarbij ten deele bevestigde, ten deele vernietigde vonnis van den rechter in het vierde kanton van het Arrondissement Amsterdam van 5 Aug. 1897;

Verklaart het bewezen feit niet strafbaar;

Ontslaat den req. van alle rechtsvervolging te dier zake.

W. 7146.