Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Baggerreglement." Op grond echter dat zij hadden gehandeld op last en in dienst van den schipper van een vaartuig, naar boord waarvan zij het zand vervoerden en dat die handeling voortvloeide uit hunne diénstverhouding tot dien werkgever, overwoog de Rechtbank „dat hieruit volgt dat de beklaagden, die bloot als werktuigen van den schipper handelden, de in de dagvaarding vermelde vergunning niet noodig hadden, maar de schipper zelf die het feit deed plegen door de beklaagden; dat derhalve de beklaagden door zand te graven zonder zoodanige vergunning geen strafbaar feit pleegden, alzoo moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging."

Tegen het daarop uitgesproken ontslag is gericht het door den heer requirant voorgesteld middel van cassatie: „Schending door niet-toepassing van de artt. 14,15,21 van het Baggerreglement vastgesteld bij K. B. van 15 Juli 1909 Stbl. 272 en de artt. 47 1° en 91 Strafr., door de beslissing dat beklaagden door onder de in het vonnis als bewezen aangenomen omstandigheden zand te graven, zonder te zijn voorzien van een schriftelijke vergunning van den Minister van Waterstaat, geen strafbaar feit pleegden." ,

Van doen plegen kan — zoo zegt de heer requirant — naar s Raads jurisprudentie, slechts sprake zijn wanneer de materieele dader strafrechtelijk niet aansprakelijk is voor zijne daad, wanneer hij heeft gehandeld zonder schuld, opzet of toerekenbaarheid. Uit het feit echter van de dienstverhouding en de omstandigheid, dat de gepleegde daad uit die dienstverhouding voortvloeide, volgt dit niet. En dat de beklaagden in de meening zouden hebben verkeerd dat hun patroon van de vereischte vergunning voorzien was, heeft de Rechtbank niet aangenomen en daarvan is trouwens in het geding niets gebleken, zoodat waar van dwaling of onwetendheid bij de beklaagden geen sprake is, zij alle persoonlijke eigenschappen vereenigen voor de strafbaarheid in casu vereischt.

Mij komt het voor dat uit de omstandigheid dat de beklaagden handelden op last van hem in wiens dienst zij waren en dat die handeling uit die dienstverhouding voortvloeide, d.w.z. dat de handeling lag binnen den kring van hunne gewone dienstverrichting, zonder schending van art. 47 Strafr. kon worden aangenomen dat zij bij de bedoelde verrichting waren bloot werktuigen in de hand van hunnen meester. De dienstverhouding en de daaruit volgende ondergeschiktheid van de beklaagden sloot de noodzakelijkheid voor hen uit om zich van alle omstandigheden waaronder de verrichting mocht geschieden rekenschap te geven, meer in het bijzonder om zich te vergewissen van het feit of hun meester al dan niet de vereischte vergunning had verkregen om het graven te dier plaatse te doen geschieden. Er kon dus worden aangenomen dat onder deze omstandigheden de verrichting in werkelijkheid door den meester was gepleegd door middel van willooze werktuigen, zoodat hij en met de beklaagden waren de strafrechtelijk aansprakelijke personen.

m