Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik houd daarom het middel voor ongegrond en concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie, luidende: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat den beklaagden, thans gerequireerden, bij de inleidende dagvaarding is ten laste gelegd:

dat zij in den voormiddag van 23 April 1912 te omstreeks 12 uur te zamen en in vereeniging, althans ieder afzonderlijk, onder de gemeente Sint-Philipsland in het water van de rivier „de Mosselkreek", op de zandplaat „Dwars in den weg", op een afstand van 400 meter, althans van minder dan 500 meter, gemeten landafwaarts van uit den buitensteen van den dijk, zand hebben gegraven met ijzeren schoppen, zulks zonder dat zij, beklaagden, voorzien waren van een schriftelijke vergunning van den Minister van Waterstaat;

O. dat bij het bestreden vonnis dit feit, en dat de beklaagden daaraan schuldig zijn, is bewezen geacht door de in het vonnis omschreven bewijsmiddelen met dien verstande, dat de beklaagden te zamen en in vereeniging hebben gehandeld en dat zij gegraven hebben op een afstand van minder dan 500 meter, en voorts is overwogen, dat zoodanig feit strafbaar is gesteld bij de artt. 14, 15 en 21 van het Baggerreglement;

O. dat de beklaagden echter niet strafbaar zijn gesteld en ontslagen zijn van alle rechtsvervolging, omdat als vaststaand is aangenomen, dat Zij handelden op last en in dienst van den schipper F. en dit handelen voortvloeide uit hunne dienstverhouding tot dezen werkgever, waaruit Zou volgen, dat niet zij, die bloot als werktuigen van den schipper handelden, de bedoelde vergunning noodig hadden, maar de schipper zelf, die het feit door hen deed plegen;

O. dat tegen deze uitspraak het middel Van cassatie is gericht, tot toelichting waarvan wordt aangevoerd, dat daardoor aan de wettelijke beteekenis van „doen plegen" een ongeoorloofde uitbreiding is gegeven; dat van „doen plegen" slechts dan sprake kan zijn, wanneer de materieele dader niet aansprakelijk is voor zijne daad, wanneer hij heeft gehandeld Zonder opzet, schuld of toerekenbaarheid;

dat hiervan echter niets is gebleken en de Rechtbank ook niet heeft aangenomen dat de beklaagden in de meening verkeerden, dat hun patroon de vereischte vergunning had en van dwaling of onwetendheid bij hen dus geen sprake kan zijn; dat de beklaagden alle persoonlijke eigenschappen voor de strafbaarheid in zich vereenigden en dus het hier betreft een in het algemeen ongeoorloofde daad, welke slechts dan geoorloofd wordt als de Minister daartoe vergunning geeft;

O. hieromtrent: