Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik meen daarom te moeten aannemen dat het artikel eene regeling inhoudt van twee geheel zelfstandige, van elkander onafhankelijke misdrijven, met dien verstande dat hij die het in de tweede plaats vermeld feit pleegt, niet valt onder het bereik der in de eerste plaats gegeven bepaling voor zoover zij Zou betreffen het doen plegen, d. i. het zijn van middellijk dader van het misdrijf „het valschelijk opmaken van een reispas".

En wanneer dit waar is, dan blijkt dat de wetgever in het tweede gedeelte van het artikel bijzonderlijk heeft geregeld het onderwerp betreffende de verkrijging van den op valsche opgaven opgemaakten reispas, met dit gevolg dat, vermits als materieel element voor dit misdrijf uitsluitend is genoemd de valschheid van naam, voornaam of hoedanigheid, de strafbaarstelling ook alleen tot die gevallen is beperkt, al mocht ook eenige andere bedriegelijke opgave zod goed als de in het artikel genoemde, het gevolg hebben dat de identiteit van den betrokken persoon wordt verheeld. En dit leid ik mede af uit de geschiedenis.

In het Ontwerp der Staatscommissie, noch in dat der Regeering is eenige toelichting op het artikel te vinden.

Het is echter duidelijk dat het artikel tot grondslag heeft gehad de artt. 153 en 154 van den Code Pénal. Eene vergelijking van deze artikelen met het onze doet zien dat de Code de beide in ons art. 231 te zamen behandelde onderwerpen afzonderlijk in twee strafbepalingen heeft opgenomen en wel de valschheid en vervalsching van den reispas in art. 153 met eene strafbepaling van een tot vijf jaren gevangenzetting, en de verkrijging en afgifte in art. 154, luidende dit laatste: „Qui-conque prendra dans un passeport un nom supposé ou aura concouru comme témoin a faire delivrer le passeport sous le nom supposé sera puni d'un emprisonnement de trois mois a un an."

Zoowel de regeling in afzonderlijke artikelen, als het groote onderscheid in de strafbedreiging ten aanzien van het een en het andere misdrijf, doet zien dat hier de rede was van strafbaarstelling van twee verschillende misdrijven betrekkelijk twee geheel op zich zelf staande onderwerpen.

Mag nu de grondslag van ons artikel in den Code Pénal gezocht worden, dan moet ook bij ons, dunkt mij, hetzelfde stelsel als geldend worden erkend en de regeling in het tweede gedeelte van art. 231 Strafwetb. worden aangemerkt als te beheerschen het geheele onderwerp betreffende de afgifte van een reispas op valsche opgave.

En dan volgt daaruit dat, evenals in het Fransche Wetboek, het betreffende artikel slechts toepassing kon vinden ingeval van „supposition de nom", zoodat bij de opgave zelfs van een valschen voornaam of hoedanigheid de toepasselijkheid reeds was uitgesloten, zoo ook in onze wet de bepaling — welke trouwens ruimer is ten aanzien van de materieele elementen — in denzelfden strikten zin is toe te passen.