Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd gegeven van een bijzonderen vorm van zoodanige valschheid, bestaande in het voeren van een valschen naam in een pas of het medewerken daartoe als getuigen en dus betrekking hebbende op het doen afgeven van een op dit punt valschen pas;

dat de wetenschap en de rechtspraak toen ten tijde, in overeenstemming met de bedoeling van den wetgever, zooals die uit de wordingsgeschiedenis bleek, uit het bestaan van die bijzondere regeling ten aanzien van het zich doen afgeven van een reispas afleidde, dat zoodanig zich doen afgeven straffeloos kon geschieden, als de valsche opgave iets anders betrof dan den naam;

dat art. 231 Strafr. zonder twijfel is ontstaan uit een samenvoeging van de vroeger geldende artt. 153 en 154 en dan ook moet worden aangenomen, dat de stof, vroeger behandeld in art. 154, thans in haar geheel regeling vindt in het 2e voorschrift van art. 231, waarbij dan de grenzen van die afzonderlijke regeling deze wijziging hebben ondergaan, dat zij niet enkel betrekking heeft op den eigenlijken belanghebbende, die zelf den valschen naam aannam en de getuigen, die tot het doen afgeven van den pas hadden medegewerkt, maar toepasselijk is op allen, die de afgifte hebben teweeg gebracht, en voorts, dat het doen afgeven, behalve op valschen naam, ook op valschen voornaam en valsche hoedanigheid is strafbaar gesteld;

dat het doen opmaken van een reispas met vermelding van onwaren leeftijd, geüjk ten laste van den requirant is bewezen verklaard, als vormende een onderdeel van- en begrepen in het doen afgeven van zoodanigen reispas, valt binnen de grenzen van de bijzondere regeling, ten aanzien van het doen afgeven van een reispas op onware gegevens, neergelegd in het 2e voorschrift van art. 231 en dus door deze aan de werking van de in het le voorschrift gegeven meer algemeene strafbepaling wordt onttrokken;

dat dit feit echter ook in die bijzondere regeling niet strafbaar is gesteld en daarop noch in eenige andere wet of wettige verordening straf is bedreigd;

dat derhalve de requirant deswege ten onrechte is veroordeeld, zoodat het le middel sub b gegrond is en het bestreden arrest in zooverre moet worden vernietigd;

Vernietigt het arrest door het Gerechtshof te Amsterdam op 27 Nov. 1912 in deze zaak gewezen, doch alleen voor wat betreft de aan de bewezen feiten gegeven qualificatie, de aanhaling van het daarop toegepaste art. 231 Strafr., en de opgelegde straf;

En te dien aanzien recht doende ten principale krachtens art. 105 R. O.;

Ontslaat den requirant ter zake van het hem te laste gelegde van alle rechtsvervolging. W. 9501.