Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het plegen van het misdrijf voorafgingen, wijst op zich zelf volstrekt niet in de richting van uitlokken. De tegenstelling tusschen de vormen van medeplichtigheid, in art. 48, sub 1° en sub 2°, genoemd, is juist dat in het eerste geval de handeling met het misdrijf gepaard gaat en dat zij in de andere gevallen daaraan voorafgaat. De geachte pleiter wees er met zekeren nadruk op, dat als vaststaand is aangenomen, dat door K. de valsche bankbiljetten, nadat hij die van requirant had ontvangen, zijn te koop geboden ingevolge een door beiden gemaakte afspraak: pleiter zag daarin eene aanwijzing die medeplichtigheid zou uitsluiten. Ten onrechte echter. Het bestaan van de afspraak wijst er juist op, dat requirant, toen hij de stukken aan K. gaf, bekend was met diens misdadig voornemen, die valsche biljetten te verkoopen.

Indien echter van uiüokking al geen sprake zou kunnen zijn, wordt bij het middel betoogd, dat dan toch de ten laste van requirant als bewezen aangenomen handelingen niet vormden het verschaffen van gelegenheid tot gebruik maken van de valsche stukken, daar die handelingen zelve reeds het gebruik maken daarvan inhielden. Daarbij wordt echter uit het oog verloren, dat het opzettelijk gebruik maken van een valsch stuk eerst dan een strafbaar feit wordt, indien dit geschiedt ,/üs ware het echt", m.a.w. indien het wordt gebruikt als middel van misleiding tegenover hem, ten aanzien van wien van het stuk gebruik wordt gemaakt (vgl. H. R. 15 Maart 1897, W. 6941,14 Jan. 1918, W. 10230).

Van zoodanig gebruik tegenover K. is hier geen sprake.

Ik acht het eerste middel alzoo in zijn geheel ongegrond.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi, luidende: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat bij het bestreden arrest ten laste van den requirant als wettig en overtuigend bewezen is aangenomen, dat hij op 24 Maart 1919,in Zeeland, opzettelijk aan C. K., als voor omloop bestemd kredietpapier, 38 stukken papier, op ieder van welke stukken papier, uiterlijk overeenkomende met echte Duitsche Reichsbanknoten van duizend mark, op de voorzijde vermeld staat dat de Reichsbankhauptkasse zich verbindt aan toonder duizend mark te betalen, heeft ter hand gesteld, om deze papieren als echte en onvervalschte banknoten van duizend mark te verkoopen, terwijl hij wist, dat deze papieren valsche banknoten waren, waarna ingevolge een door hem met C K. gemaakte afspraak, deze op 24 Maart 1919, te IJzendijke, opzettelijk bovenomschreven papieren als echte en onvervalschte banknoten van duizend mark aan J. C. te koop heeft aangeboden, waarbij C. K. tot J, C zeide: dat hij Marken te koop had en hem deze voortelde, hebbende K. bovenstaande handelingen gepleegd met het voornemen van opzettelijk gebruik maken van vorenomschreven valsche banknoten als waren zij echt en onvervalscht,