Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit welk gebruik het in het arrest nader omschreven nadeel kon ontstaan, terwijl de verdere uitvoering van dit misdrijf alleen niet is voltooid ten gevolge van de van K.'s wil onafhankelijke omstandigheid, dat J. C. de omwisseling geweigerd heeft omdat hij de zaak niet vertrouwde;

dat dit feit is gequalificeerd en deswege aan den requirant straf is opgelegd als aan het hoofd van dit arrest is vermeld;

O. ten aanzien van het eerste middel:

dat ter ondersteuning daarvan bij pleidooi is aangevoerd, dat, waar de handelingen van den requirant waren daden van uitlokking en niet van medeplichtigheid en dezelfde handelingen niet tegelijk daderschap van het strafbaar feit en medeplichtigheid daaraan kunnen uitmaken, de requirant niet ter zake van dit laatste, namelijk: het opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van de vorengenoemde poging, kon worden veroordeeld, — en voorts, al ware van uitlokking geen sprake, de bewezen verklaarde handelingen van requirant niet kunnen worden aangemerkt als het verschaffen van gelegenheid tot het gebruik maken van valsche banknoten, vermits die handelingen zelve, bestaande in de overgifte aan K., reeds het gebruik maken dier stukken inhielden;

O, dat blijkens het bestreden arrest het Hof als bewezen aannam, dat de requirant op 24 Maart 1919 opzettelijk valsche Reichsbanknoten aan C. K. heeft ter hand gesteld, waarna, ingevolge een door hem 'met K. gemaakte afspraak, deze op denzelfden dag opzettelijk, d.w.z. zich van de valschheid bewust, deze valsche stukken als echte en onvervalschte Reichsbanknoten aan J. C. te koop heeft aangeboden;

dat hierin is gelegen 's Hofs beslissing dat, ingevolge de door requirant met K. gemaakte afspraak deze laatste de banknoten als echte te koop heeft aangeboden, waartoe de requirant hem die valsche stukken had ter hand gesteld;

dat hierdoor feitelijk werd beslist, dat tijdens de terhandstelling eenerzijds de requirant èn bekend was met K.'s misdadig voornemen om de valsche banknoten als echt te verkoopen èn door die handeling de uitvoering van dit voornemen bevorderde, — anderzijds bij K. dit misdadig voornemen reeds bestond;

dat hieruit volgt, dat de requirant, in den zin van art. 48 Strafr., medeplichtig was aan het door K. gepleegd misdrijf, vermits ingevolge dit artikel, naar tekst en geschiedenis, medeplichtigheid, en dus ook wanneer deze zich voordoet in den vorm van opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van een misdrijf, bestaat, indien de hulp verleend, de gelegenheid verschaft wordt aan hem, bij wien het opzet tot het plegen van het misdrijf op dat oogenblik reeds aanwezig was;

dat hieruit mede volgt, dat de bewezen verklaarde handelingen van den requirant niet waren daden van uitlokking, omdat, daargelaten dat in deze van geen der in art. 47, 2°, Strafr. genoemde middelen van uitlokking uit bet arrest blijkt, het kenmerk van het zijn van dader van