Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een strafbaar feit door uitlokking daarvan, te weten: dat hij zelfstandig den misdadigen wil bepaalt, waardoor het strafbaar feit in het leven wordt geroepen, hier ontbreekt;

dat, ten slotte de requirant, waar bij, gelijk vaststaat, de valsche banknoten aan K. ter hand stelde, tijdens deze het opzet had, die ingevolge tusschen hen gemaakte afspraak als echt en onvervalscht te verkoopen, deze stukken tegenover K niet bezigde als middel om hem te dien aanzien te misleiden door zich te gedragen als waren die stukken echt en onvervalscht, maar uitsluitend om de uitvoering van diens vorengenoemd opzet te bevorderen, zoodat van een gebruik, in den zin van de artt. 225 en 226 Strafr., de rede niet was;

dat derhalve het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

W. 10554.

47 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 21 Februari 1921.

Art, 48 W. v. Str.

Hij, die, met het toezicht over waren belast en dus krachtens zijn bijzonderen plicht gehouden is diefstal van die waren te verhinderen, maakt zich schuldig aan medeplichtigheid aan diefstal door opzettelijke hulpverleening daarbij, wanneer hij zich er niet tegen verzet dat anderen in zijne tegenwoordigheid van die waren wegnemen met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen.

De Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden is requirant van cassatie in bet belang der wet tegen een vonnis van het Hof van Justitie in Suriname, van den 24en April 1920, waarbij K., onder contract verbonden en wonende op de plantage Peperpot in het district Suriname, ter zake van „medeplichtigheid aan diefstal door meer dan twee vereenigde personen", met toepassing van de artt. 50, 51, 316 en 317 aanhef en sub 4°. Wetb. Strafr. voor de kolonie Suriname, is veroordeeld.

De proc.-gen. Noyon heeft de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heeren! Het Hof van Justitie in de kolonie Suriname heeft den beklaagde veroordeeld wegens medeplichtigheid aan diefstal op eene dagvaarding,