Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het beroep; de kosten in cassatie gevallen te dragen door den Staat. De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

Schending, door niet toepassing, van art. 300 2e lid, in verband met art. 82 Strafrecht;

Overwegende, dat aan den gerequireerde is ten laste gelegd, „dat hij in den nacht van den 12 op den 13 Nov. 1887 opzettelijk J. A. A. in diens woning aan het Nieuwland te Arnhem met een stuk bout op diens hoofd en arm heeft geslagen, zoodat hij eene bloedende wonde aan het hoofd heeft bekomen en de arm gebroken is";

O., dat bij het in hooger beroep bevestigde vonnis dit feit bewezen is verklaard, terwijl omtrent de toepassing van de strafwet wordt overwogen: dat dit feit valt in art. 300, al. 1, Strafrecht, daar de Rechtbank van oordeel is, dat waar, gelijk in casu, blijkens de verklaring van den deskundige S., alle waarschijnlijkheid bestaat dat de verwonde na verloop van slechts 5 weken volkomen hersteld zal zijn en zijn gewoon werk weder zal kunnen verrichten, hij in den zin der wet niet kan geacht worden zwaar lichamïlijk letsel te hebben geleden; dat toch niet alleen de bij art. 82 Strafrecht enuntiatief aangehaalde gevallen wijzen op eene zwaardere categorie van feiten, maar ook uit art. 308 volgt dat de wetgever eene tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van beroepsbezigheden niet als zwaar lichamelijk letsel beschouwt";

O. dat deze beslissing bij het middel van cassatie wordt bestreden op grond in hoofdzaak dat de vraag of er zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, „niet zoozeer, althans niet alleen afhangt van de gevolgen der mishandeling, maar vooral van haren aard, van de mate van bet geweld, van de soort van het wapen, van het orgaan dat getroffen is", en dat alzoo in deze zaak de rechter, met het oog op „de hevigheid van den slag, het gevaarlijke van het wapen en het lichaamsdeel dat getroffen is" (den linkerarm, waarin voor den verwonde, voerman van beroep, de beste werkkracht is gelegen), had behooren aan te nemen dat de mishandeling viel onder het bereik van het 2e lid van art. 300 Strafrecht;

O. dienaangaande, dat gemelde wetsbepaling de verzwaring van de straf afhankelijk stelt niet van de mate van het geweld of van de middelen waarmede het is gepleegd, evenmin van het lichaamsdeel dat getroffen is maar uitsluitend van het gevolg dat het geweld heeft gehad, van de vraag of dit gevolg heeft bestaan in een zwaar lichamelijk letsel;

O. dat art. 82 Strafwetb , zooals het, in afwijking van het oorspronkelijk ontwerp (art. 89) — waarbij eene omschrijving van het begrip van zwaar lichamelijk letsel werd gegeven — thans luidt, slechts eenige gevallen vermeldt, die onder dat begrip moeten worden gebracht;

dat de wet, blijkens de bewoordingen in verband met de geschiedenis van genoemd artikel, het begrip niet tot de daarin uitgedrukte gevallen